De Verveling Voorbij

Howard de Hyperpersoon

Het was weekend, ergens eind oktober en Howard Herder keek door de voorruit van zijn auto. Het sneeuwde. Verkleumd van de kou liepen mensen gebogen over straat. Vlak voor Howard stak een man over alsof hij aangereden wilde worden.

It’s beautiful out today, probeerde Howard tegen de vrouw achter hem, zijn Ubergast voor het moment.

Ze schoot in de lach. Ik weet niet of je het serieus bedoelt, antwoordde ze.

De humor, dacht Howard met een schok, zijn humeur op apegapen. Lekker sarcastisch doen, dan komt het allemaal goed.

No, it’s really pretty, with the snow, these trees, almost Christmas-like, probeerde Howard nog. De vrouw, die blijkbaar Christiane heette, vond het weer mooi geweest, ze had haar lachje al gehad. Er was verder weinig te behalen, ze waren het dieptepunt al voorbij en konden alleen bergopwaarts. Daar was dan vaak geen sarcasme voorhanden. Bergopwaarts was het moeilijker het leven naakt te zien.

Ze reden nog nog drie minuten lang rond door de met sneeuw bedekte universiteitswijk. Toen stapte de vrouw weer uit. Blijkbaar moest ze daar zijn.

Hij had nooit echt van iets gehouden. Maar hier was hij, in het land van ‘vind ik leuk’, en vond dat hij op zijn minst voor iets moest ‘gaan’. Hij was hier net komen wonen en kende geen mens, behalve zijn vrouw, en die was er vandoor gegaan. Jaren geleden. Hij moest met iets op de proppen komen en besloot de hulp van zijn huisarts en psychiater en misschien binnenkort vriend, dokter Gerlagh, in te roepen.

De huisartsenpraktijk was klein maar knus. Op het eerste gezicht viel hem niets op. Ook geen beesten.

Je bent ten dode opgeschreven, opende dokter Gerlagh het gesprek.
– Nee toch? antwoordde Howard, lekker sarcastisch. Maar dat wist ik toch al, dokter? Dat is toch iedereen?
Ja maar het kan korter zijn dan je denkt.
– Oh, en waar lijd ik dan aan?
Dat weet ik niet. Het is zeer zeldzaam of eigenlijk nooit eerder aangetroffen. Je bent een primeur. Alleen jij en ik hebben het. Dokter Gerlagh lachte stiekem in zijn vuistje. Howard zag het net niet.
– Wie heb het, dacht Howard.
Je hebt nog zo’n 60 jaar te leven, maar dat kan ook veel minder worden. Weer dat stiekeme lachje. Maar opnieuw viel het niet op.
– Howard schrok. Veel minder? Hij was nog maar 62. Wat kan ik er aan doen, dokter? vroeg hij.
Je moet heel goed naar jezelf luisteren. Naar je gedachten. En daarna moet je die heel lichtjes een duwtje in de goede richting geven. Het gaat erom je innerlijk gemijmer in innerlijk goud om te zetten.
Dokter Gerlagh proestte het nu uit maar het viel Howard niet op. Even meegezogen in de lekkere tunes van Sharon Van Etten in zijn oor.
Toen hij weer bijkwam ving hij net het laatste op wat de dokter zei

…En je moet minder hard sporten want daarbij verlies je het goud telkens weer. Howard, anders dan anderen ga jij gewoon te ver in je sporten, dat ben je zo gewend, hebt dat altijd gedaan, maar het zal je gezondheid schaden.
– Dokter Gerlagh sprak als een alchemist. Hij wist niet zeker of hij het begreep. Misschien hoefde dat ook niet. Dus rustiger sporten en mezelf meer afleiden, meer gunnen? Vroeg hij.
Nee, oliebol.
Vroeger werd het weleens ego-observatie genoemd, vervolgde dokter Gerlagh. Je ziet jezelf leven. Wat je waarneemt doe je vanuit een soort bunker. Daarin zit je veilig. Je kunt er ook uit maar jij hebt als enige de sleutel. De sleutel tot jouw unieke kijk. Deze is niet uniek maar dat hindert niet. Je zult het als uniek ervaren vanuit je bunker. Een beetje alsof je je leven in de cloud leeft. Leuk toch?
– Of hij die bunker nou zo leuk vond wist Howard niet. Hij had eens een D-Day documentaire gezien. Die jongens in de bunkers werden uiteindelijk hardhandig uit hun bunkers gesleurd en moesten met de vijand meekomen. Als ze hun unieke informatie niet prijs gaven werden ze in een U-boot naar Argentinië verscheept.
Howard, je zit toch niet aan de Tweede Wereldoorlog te denken, hoop ik? We hebben al 75 jaar vrede hier. Oorlogen worden elders gehouden, we hebben dat uitbesteed. Dat weet je toch? Je hebt toch niet weer in de wolken zitten lezen, hè?

Hij had het inderdaad al vroeg geleerd op school. In Zuid-A-meer-ik-a konden ze dan nog slechts 20 jaar verder leven, allemaal onder soms wat nalatige controle door de vijand. Dat stond tenminste in de cloud. Maar wacht eens dokter, zei hij ineens ernstig, ik woon al heel lang in de wolken, al sinds 2010. En met mij zo’n beetje iedereen.
– Het spijt me voor je. Er is geen leven in de wolken. Het is er dood. De wolken geven jouw wereld vorm. Die vorm kun je nu zelf in je leven aanbrengen, door niet te leven maar te zijn.
En wat is het verschil daartussen? wilde Howard weten.
– Leven is afleiding, rumoer en geleefd worden. Zijn is alle taferelen van een afstand zien, het is doodvermoeiend en saai totdat je eraan gewend raakt. Dan moet je opnieuw beginnen.
Het klinkt niet erg aantrekkelijk dokter, zei Howard. Ik ben niet zo filosofisch ingesteld.
– Dokter Gerlagh begon een wekker op zijn buro duidelijk hoorbaar op te winden. Een houten beeldje van een snuivende gnoe stond ernaast. Aan het plafond bungelde een opgezette leeuw. De uitgestoken klauwen hadden nagels van wel 4 centimeter. Die groeiden na de dood nog even door, wist Howard.
Luister, Howard, ik kan me vergissen maar je betaalt mij toch voor dit consult? Wil je dan niet geholpen worden? Je bent toch ziek in je hoofd? Toch? Zover waren we toch gekomen? Of wil je weer helemaal opnieuw bij het begin beginnen met de diagnose?
– Dat is goed dokter, ik ga het proberen, zei Howard. Er hing hem iets boven het hoofd maar hij wist niet wat. Wolken?

Howard lost zichzelf op
Met babystapjes liep hij de praktijk uit en naar de lift. Daar draaide hij zich om. Hij ging in de deuropening staan. Maar dokter, begon hij, dat betekent een schrijversbestaan! D-Dat is niet langer vooruit kijken maar van binnenuit kijken!

Dokter Gerlagh antwoordde niet. Hij bleef rustig zitten, scheen zelf ook te zijn opgezet, viel niet op tussen de overige dieren. Uit ervaring wist Howard dat schrijven betekende alles, inclusief jezelf, tussen haakjes te plaatsen, alsof het niet belangrijk was, of beter: alsof het niet bestond. Bestaat u eigenlijk wel, dokter? opperde hij maar begreep meteen dat hij met te veel lef had gesproken. Besta jij eigenlijk wel? zei dokter Gerlagh ineens.

Opeens stond hij in de lift en vroeg zich af of het voorval van zojuist wel echt had plaatsgevonden. Na zijn auto te hebben bereikt, reed hij langzaam op een gammele fiets naar huis. Die had hij op de brug van een junkie gekocht. Hij deed extra langzaam om niet buiten adem te raken, maar had dan moeite het evenwicht te bewaren. Of er remmen op zaten zou hij later wel zien.

Even later klapte een boom in zijn zij. Snakkend naar adem ging hij midden op de weg liggen, en gelukkig kwam er tien minuten lang geen verkeer langs. Toen stond hij weer op. De fiets had in elk geval geen terugtraprem. De volgende keer dat hij uit balans raakte even de handremmen proberen. Bij de drukke kruising even verderop schramde zijn knie in volle vaart een stilstaande auto en meteen erna zag hij een lantaarnpaal naderen.

Toen hij weer bij positieven kwam was het al bijna donker. De fiets stond dubbelgevouwen om de lantaarnpaal. Even dacht hij eraan dokter Gerlagh te bellen, maar hij had geen beltegoed meer. Hij probeerde 112 maar kreeg een verkeerd verbonden signaal. Misschien was hij niet in Oeropa. Eigenlijk was het ook niet nodig want hij voelde geen enkele pijn. Langzaam liep hij de overgebleven 100 meter naar huis.

Thuis aangekomen was er niemand. Zijn vrouw was al 40 jaar dood. Ze was er met een ander vandoor gegaan. Daarom was ze er nu niet. Ook zijn kinderen waren er niet. Hij had geen kinderen. Een fotolijst op de schouw vertoonde een wit paard op een strand. Het kwam Howard ergens bekend voor. De zwarte kleur van de lijst stak lelijk af bij het zand. Was er maar geen strand geweest maar water. Dan had het paard wat kunnen drinken.

Op tafel lag een groen brood. Hoe lang was hij niet thuis geweest?  Het broodmes stak er nog in, of uit. Blijkbaar was hij plotseling vertrokken. Tenzij het mes het brood eigenhandig had gestoken terwijl hij van huis was. Nu was hij er wel. Waarom verstopte het mes zich niet? Misschien had het geen geweten. Botterik. De boter was nog open. Ook groen. Een fles bruingroene melk ernaast. Iemand had de hele boel hier bedorven! Het feestje was voorbij.

Tergend langzaam liep Howard de wenteltrap op naar de vierde verdieping. De veertig treden naar de zolder leken een eeuwigheid te duren. Hij observeerde zijn ego: het liep de trap op. Hij observeerde het nog eens: het nam een adempauze. Een laatste keer nog: het ego observeerde stiekem hém! Snel sloeg hij het ego tegen de grond. Niets daarvan, vuil ego. Het ego kermde van de pijn onder zijn grote zwarte laarzen. Hij had geen medelijden. Hij liet niet met zich sollen. Wie denk je dat je bent? riep hij.

Langzaam kwam zijn ego weer overeind. Sorry, hoor, niet mijn bedoeling, leek het te zeggen. Nou, riep Howard, als je nog een keer doortrapte grappen wilt uithalen, ben je nog niet jarig! Jij dan ook niet, zei het. Bijdehand. Howard had buiten adem de zolder bereikt en keek eens om zich heen. Stoelen en tafels waren er niet, ook geen bed of schrijftafel. Er stond helemaal niets op zolder. Was hij voor helemaal niets buiten adem naar boven gelopen! De schrijftafel stond beneden op hem te wachten, wist hij nu weer. Met laptop en al. Het wachtwoord wist hij ook nog.

Beneden stak hij een kaars aan. De huishoudelijke hulp had open vuur verboden maar anders kon hij niets zien. Door al het getuur in de wolken op het laptopscherm konden zijn ogen alleen nog kaarslicht aan. Daar droomde hij beter door. Bewuster. Wetend. Als een klein engeltje dat over zijn eigen dromen waakte. Hij speelde het kleine engeltje en was nooit zelf in de droom aanwezig. Als hij wel in de droom was dan verstopte hij zich snel achter zijn engelenhaar. Het engeltje keek ook niet naar de droom, beleefde hem niet. Het engeltje was alleen zichzelf en hij was het engeltje ook. Hijzelf noch het engeltje hadden ooit een droom gezien. Als ze er één hadden gezien deden ze net alsof ze het niet hadden gezien. Dat was onbeleefd en mocht niet. Hij mocht niet weten. Hij mocht dromen alleen als engeltje beleven.

Die nacht droomde hij dat hij een grote kikker was. Het was overdag en hij had een groen vel met bruine vlekken. Eigenlijk wilde hij winterslapen maar hij werd afgeleid. In de droom gebeurde verder niets. De kikker zat er gewoon, het leek of hij wintersliep. Howard was zelf het engeltje geweest, de hele tijd al.

Zijn hond Hengelstaart lag uitgestrekt naast hem. Hij gromde omdat Howard hem met zijn voet duwde. Dat was hun spel. Urenlang lag Hengelstaart te grommen en Howard hem te duwen. Daarna liet Hengelstaart een blaf horen en sprong hij van het bed. Gemaakt boos gooide hij zich dan op de vloer en zuchtte diep. Van spelen kreeg hij nooit genoeg.

Howard stond op om water te halen. Speels streelde hij Hengelstaarts buik met zijn tenen. Hij gromde weer, nog steeds niet moe van het spelen. Howard liep door want hij moest nu snel weer het engeltje zijn. In de badkamer kon hij de kraan niet vinden en de kaars was opgebrand. Vlug stak hij een vel toiletpapier aan. Het brandde snel en hij zag wel de kraan, maar net te laat. Hij had de kraan net niet gezien. Als een Duister in het duister tastend, blies hij de aftocht. Hij dronk wat water uit het glas op het bruine nachtkastje naast zijn bed. Langzaam was het buiten licht geworden. Vreemd eigenlijk, dacht Howard, ik had ook gewoon kunnen wachten tot het licht was buiten.

Die morgen probeerde hij de vouwfiets recht te buigen, maar het ging niet. Misschien kan ik hem verkopen, dacht hij. Hij keek naar zijn horloge. Acht uur. Hij was te laat voor zijn hoorcollege. Hij gooide het horloge en de fiets op een hoop; voor de verkoop later. Als hij terugkwam zou hij een standje bouwen en die ook verkopen. Langzaam opende zich zijn garagedeur. Howard keek naar binnen. Zijn huishoudster Amsuliteka zwaaide naar hem in de opening. Wijzend naar zijn zojuist handgeboende zilvergroene 2016 Jaguar XF Premium AWD 3.0 liep ze door de binnendeur terug naar binnen. Oogverblindend bleef ze, zelfs na al die jaren. Twee jaar geleden had hij haar op de huishoudbeurs ontmoet waar hij naar befaamd Germaans recept noothoeken verkocht had. In een hoek bij de nooduitgang had ze hem op het eerste gezicht gekust. Dat was hun noodhoekje geworden.

Beginnen met luisteren
En daar zat hij weer te schrijven. Het was een perfecte manier om niet met anderen in de kamer te zijn. Ook niet met Amsuliteka. Ook niet met zichzelf. Afgezonderd bewogen slechts tien vingers, 26 letters en duizenden woorden en zinnen in de wolken. Wat verafschuwde hij elke serieuze typist die niet met tien vingers kon leren typen. Wat een armoede!

Het was wel gevaarlijk om zo te typen tijdens het rijden. Zijn auto was niet gestart dus had hij weer een gammele fiets gekocht. Het had geen stuur dus hij had zijn handen vrij. Wat hield toch hij van zulk eenvoudig spel, had hij er maar vaker energie voor. Energie van de andere soort, de niet-serieuze. Van de soort dat anderen niet konden begrijpen, omdat hun geest de abstractie van gewoon spelen niet kende. Het was vrijdag de 13e, onder een zwarte ladder liep een kat. Hij raakte uit balans en reed een stoeprand op, zijn voorwiel sloeg om en hij klapte met zijn rug op de ladder.

Een kwartier later was hij uitgeschreven. Geen inspiratie meer. Hij zag zwart voor ogen. Hij was de motor van de auto, niet langer de auto zelf.

Howard vond geesten die de abstractie niet konden bevatten gewoon lui. Hij wist het. Het lezen van een kaart, een geabstraheerde vogelvlucht van de wereld, was niet voor iedereen een taak. Zonder seksistisch te zijn waren vrouwen daarin slechter dan mannen. Ze probeerden het wel, bedoelden het goed. Mannen hielden zich dom genoeg voor iets abstracts als kaartlezen en creëerden zo ruimte voor zulke lagere ordes van denken. Tegelijkertijd zag Howard vrouwen ook steeds meer in abstractie treden, en zij raakten dan – voorspelbaar genoeg – wel heel opzienbarend verdwaald in circulair redeneren. Hoe dan ook, Howard hield zich buitengewoon dom. Dom genoeg om college te geven over pure abstracties.

Wat te denken van zijn voordracht vanmorgen over de rationele versus de empirische benadering? Wiskunde opperde simpelweg a’s, b’s en c’s die er absoluut niet waren. Het begon met definiëren en verminkte daarmee de werkelijkheid. Een complexere benadering zou A, B en C stuk voor stuk inbedden en situatief definiëren. Maar de empirie  gebood dat hij niet met definities maar met begrippen begon, en deze situatief analyseerde. Howard kon maar moeilijk onderscheid maken tussen definitie en begrip. Precies daar begon ook de filosofie. Daar waar Howard niets begreep. Vroeger waren definities voor computers en begrippen voor mensen, maar zo’n eenvoudige dualiteit leek nu vooral dom.

Howard zuchtte diep. Op zijn bureau stond een miniatuurbureau, dat hij een keer gekregen had voor zijn verdiensten. Hij had zijn verdiende geld uitgegeven en er dat bureau voor terug gekregen. Beter dan niets, dacht hij. Sommigen gaven hun geld uit en kregen er niets voor terug. Bijvoorbeeld aan goede doelen. Hij zette het bureautje recht. Aan het bureau zat een man en erop stonden een brandende kaars en een laptop. De man was in de wolken aan het typen. Was hij het zelf? Nee, hij zat zelf aan het grote bureau.

Waren mannelijke studenten meer in het ABC-verhaal geïnteresseerd, waar vrouwen meer voor de empirie voelden? Nee, zulke eenvoudige tweeledigheid gold als dom. Toch vroeg hij het zich af. Alles verveelde op gegeven moment, en vooral in abstractie. Maar voetbal was anders. Als een spel kon worden uitgebreid tot de rest van zijn leven zou het voetbal voor hem zijn. Spel in het algemeen, voetbal in het bijzonder. Maar wilden mannen optimale opstellingen uitdenken waar vrouwen het sociale cement wilden ontrafelen? Nee, dom.

Het hoorcollege was een daverend succes. Zijn tien studenten gaven nog net geen staande ovatie weg, maar het had niet veel gescheeld. Gedwee dropen ze af, te bang om hem aan te spreken, te individueel ingesteld, de persoonlijkheid van de ander overschattend. Geen greintje volksheld in hen, wisten zich geen andere raad dan te doen alsof ze raad wisten. Dat was hen voorgedaan, geleerd. Hun hele leven. Voorgeleefd. Ze waren af voordat ze begonnen. Afgeleefd. Nu maar afwachten of ze het zelf ook zouden inzien. Howard las in een werk van Johann Gottfried Herder dat een volk niet alleen individualiteit bezit, maar ook:

  • een idee van wat alle mensen gemeen hebben
  • gevoelens van verbondenheid met de mensheid
  • religieus sentiment

Met die laatste twee kwam het zeker niet goed. Het volk, zo leek Howard, was in West-Oeropa langzaam in het individu geplaatst, het individu was uit het volk gehaald. Ieder individu was nu zijn eigen volk. Howard moest zien wat voor volk dat voor hem was, wat er van over was gebleven, en zeker ook hoe hij ermee zou omgaan. Door de WC spoelen, of toch erover praten met zijn psychiater. Hij kon misschien dingetjes met hem delen, met dokter Gerlagh, dacht hij. Dingetjes over zijn leven als eigen volkje. Met zijn eigen volkstuintje. Maar dokter Gerlagh bleek in gesprek met een andere patiënt.

Howard hing geduldig aan de lijn tot de dokter en de andere patiënt waren uitgesproken. Uitgebreid bespraken ze de details van de patiënt. Tijdens een ongemakkelijke stilte schraapte Howard even zijn keel. Misschien wisten ze niet dat hij ook op de lijn zat?
Zit er nog iemand op de lijn? vroeg de patiënt.
Nee hoor, zei Gerlagh. Er zit (n)iemand anders op de lijn. Gerlagh sprak de haakjes raar uit waardoor alleen Howard ze hoorde.
Eindelijk hing de patiënt ingesproken gedesillusioneerd op. Dag! floepte Howard eruit.
Zachtjes hoorde hij iemand huilen.
Hallo? zei Howard.
Ben jij het Howard? zei dokter Gerlagh. Ik had je belletje al verwacht. Je was toch niet aan het meeluisteren? Nee hoor, zei Howard. Zoveel had hij ook weer niet opgevangen. Bovendien had hij geen tijd meer voor een praatje. Ik kom morgen even langs op je praktijk, dokter. Eigenlijk had de dokter niet zoveel zin, maar na veel aandringen zei hij toch ja. Zorgvuldig schreef hij de afspraak in zijn agenda. Hij voelde zich wolkig. Hij moest dokter Gerlagh spreken maar hij wist niet meer waarover. Om erachter te komen hoeveel volk er in hem schuilging? Misschien wel alle mensen die ooit geleefd hadden en zouden leven! Daar had hij wel eens over geschreven, aan zijn bureau, en voorgedragen, aan zijn leerlingen.

Wat van buiten komt
Natuurlijk had Howard altijd alleen geschreven en voorgedragen wat anderen al geschreven en voorgedragen hadden, had dit gecombineerd met wat weer anderen geschreven en voorgedragen hadden, omdat het geheel wel redelijk interessant klonk en hij onbewust hoge ogen wilde gooien bij andere individuen die het nooit zouden lezen. Het volkse idee ging daadwerkelijk nergens over. Het was alsof je wilde scoren bij voetbal zonder dat er doelen, tegenspelers, scheids- of grensrechters, toeschouwers, tribune, gras of bal waren. Stond wie dan scoorde buiten spel?

Het volkse idee stond misschien buiten spel. Het speelde zich af in het binnenste van een geautomatiseerd zijn dat zich volledig onttrok aan Howards waarneming. In het leven zijn er in wezen twee soorten wezens: zoekers en vinders. Zoekers zien iets en als ze het af en toe vinden, zeggen ze: Geweldig! en gaan op zoek naar weer andere dingen. Vinders brengen hun tijd door met het vinden van dat ene ding waar ze een leven lang achteraan zitten en als ze het eenmaal hebben gevonden, gaan ze tevreden heen. Howard had eens 100 Gulden gevonden en had het met Mowie gedeeld. Toen waren ze samen op weg naar huis gegaan. Om een hoekje stond hun kennis Elami.
Heb je Gulden? vroeg Elami met Marokkaans accent.
Ze hadden alleen het doormidden gescheurde briefje.
Nee man, zeiden ze.
En als ik in je zak kijk en ik vind gulden, mag ik die houden? drong Elami aan. Het was meer een mededeling dan een vraag.
Nee man, zeiden ze weer en liepen door. Gelukkig liep Elami ook verder.

Op zijn dertiende vertelde zijn biologiedocent eens dat mensen naar iets zoeken door systematisch alle plaatsen te bekijken waar het kan zijn. Als dat niets oplevert, gaan ze opnieuw op exact dezelfde plaatsen kijken, en opnieuw, net zolang tot ze het nooit vinden. Howard had daar twee jaar over nagedacht totdat hij stond hij midden in zijn slaapkamer begon aan te voelen waar dingen lagen die hij kwijt was. Hij blinddoekte zichzelf en begon langzaam rondjes om zijn as te draaien. Het werkte één keer, toen niet meer.

Daar had hij toen zijn levenswerk van gemaakt. Dingen aanvoelen. Informatie zomaar vinden. Alleen lukte het nooit. Zulke informatie was zelf niet belichaamd, het maakte geen deel uit van wat hij als werkelijkheid waarnam. Het verborg zich en was tegenwoordig systematischer en makkelijker te herkennen in de vorm van mobieltjes en andere prullaria. Dat bracht het zoeken in handen, niet langer in voeten. Je leefde zo hoe langer hoe meer gesublimeerd: in metafysische, buiten de menselijke waarneming liggende, gecomputeriseerde binnenwerelden. Wat hij daarin vond stond mijlenver af van de binnenwerelden uit de jeugd van zijn voorouders. Hij was gedoemd niets te vinden als hij het volk opvatte als de som van al zijn voorouders.

> I want to be the one to walk in the sun and girls, they wanna have fun.<

Uiteraard bracht zich uitleveren aan zulke binnenwerelden ook allerlei leuke dingen met zich en kon hij terugkijken op een leven vol lol. Het leven vol lol proppen was dan misschien toch het ultieme voor al diegenen die zelf ook wel eens – al was het voor een dag – mooi wilden zijn. De smet lag daarom niet eens zozeer op het eigen leven als op dat van anderen.

Licentie

Howard Buut Zijn Volk Vrij Copyright © 2020 by Peter Blank. Alle Rechten Voorbehouden.

Deel dit Boek

Feedback/Errata

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.