Pijltjes In Het Oog

Howard de Reflector

Eenmaal weer aan de Oeropese kant van de Atlantische oceaan bleef het idee doorhameren dat hij niet opschreef wat hij eigenlijk zou moeten opschrijven. Tijdens het schrijven verbleef hij in duisternis, de motor draaide door, volgde zijn mechanieken, deed maar wat. Bovendien liet hij zich telkens door details wegdrukken, alsof hij de weg voor hem niet zag, geen visie had. Dat was ook vrij lastig onder de motorkap. Het was bovendien heet.

Howard zet de zeilen bij
In gedachten liep hij af op het Espresso House van het vliegveld waar hij zojuist geland was. Iedereen keek ongelukkig. Ook hij. De twee dames tegenover hem in de zwarte shirts vonden zichzelf heel aantrekkelijk en dus moest hij hun blikken weren. Allebei de meisjes droegen precies hetzelfde zwarte shirt met witte randen. Toen hij ging zitten bedacht hij zich pas dat ze daar werkten. Met een hand op zijn voorhoofd deed hij net of hij al de hele tijd een boek had zitten lezen. Eén van hen bleef hem aanstaren. Ze vroeg hem iets. Eén dubbele espresso, zei hij. Daarmee kon hij weer een uur vooruit. Het meisje typte iets in haar telefoon maar werd toen weer afgeleid door andere gasten. Veel van hen spraken Bergoens Doens. Hij moest in de kleinste steegjes van zijn geheugen gaan om iets om heen te kunnen verstaan. Spreken ging niet, maar misschien verstonden ze ook wel Nerderlands.

Wat was eigenlijk van belang om op te schrijven? Niets? Alles? Het gemijmer ging maar door en was de inkt noch het papier waardig. En waar zat eigenlijk de motor in een vliegtuig? In ieder geval was het er nog heter dan onder de motorkap. En er was inkt noch papier. Er was alleen een scherm en het maakte allemaal niet zoveel uit. Als je maar in de airflow kwam, wat Howard deed denken dat hij toch zeker een paar weken geleden al een geweldig idee uit de bekende hoed had getoverd, en dit tot dusver niet aan het scherm had toevertrouwd. Dat was geen kwestie van zelfcensuur, zoals gebruikelijk. Normaalgesproken bedacht hij zich twintig keer voor hij iets opschreef dat uiteindelijk in boekvorm moest verschijnen, en verwijderde het dan of sloeg het niet op en sloot per ongeluk het programma. Nee, het was een automatisme dat optreedt nog voordat iets of iemand die heeft ingesteld. Het was de aanleg tot verliezen en daarmee de noodzaak tot ergens bij willen horen.

Howard wilde graag ergens werken waar het zo gezellig was als hier. Dat A-meer-ik-aanse knagen maakte iets los waardoor je lekker gezellig wilde werken de hele dag. De rust van het besef dat er geld binnenkwam. Daarin kon hij zijn leven zo lekker en volledig voorbij laten glijden. Het afscheid kwam altijd, klein of groot, kort of lang, voor even of voor eeuwig. Of het kwam niet en je was al weg. Het bevrijdende idee was de tussenperiode te veronachtzamen. Je was vrij, je leefde. Als het afscheid daar was, kon je dit moment eenvoudig als object in de tijd zien. In dat object kon je iets stoppen. Een gevoel, een herinnering. Zo was het afscheid maar een moment in de tijd, dat ook snel weer voorbij was. En de ingelegde herinnering blonk in dat moment even op als een edelsteen. De glinstering kon je opvangen in je ziel en meenemen, in dat moment.

Zulke momenten leefden uiteindelijk het leven van de ziel, die je met normaal-menselijke, verstandelijke vermogens niet kon kennen. Daar kon je alleen dingen mee uit elkaar peuteren. Het meisje had intussen tien keer naar hem omgekeken terwijl hij slechts een keer of drie naar haar had gekeken. Ze wilde niets, alleen mooie dingen zien. Mensen als beleefde objecten ervaren, om zo diep naar binnen te kijken, misschien via de ogen, maar vaker via de glans van het object.

Het door Hans-Georg Gadamer verafschuwde oppervlakkige subject-object denken, dat Herder nog wel bezigde, bleek hier toch weer toepasbaar. Het was de noodzaak het werkelijke spel van leven niet op te geven door je leven lang in dode boeken te turen. Leven was anderen zien. Wat er tussen de niet-bestaande momenten van het zieleleven en de voorbijglijdende, nieuwe en ongeëvenaarde tijd gebeurde, was niet belangrijk, stond hem vrij. Niet alleen kon Howard vrijelijk daarover vervoegen om zijn bovenmenselijkheid te vervolmaken door net iets meer dan hij gewend was op te pikken in zijn omgeving van mensen, dieren, natuur en objecten, het stond hem ook vrij om de glans der totale mensheid te ervaren.

‘Het stond hem vrij’ was uiteraard voetbaltaal. De binnentijd zag hij continu vrij staan, kon hij voortdurend de bal toespelen, vormde de ultieme opening, de mogelijkheid een weergaloze aanval op te bouwen en tot scoren te komen, heer en meester te zijn op het veld. Een reusachtig zwart gat waarin de levenstijd zich ontvouwde, waaruit de bal altijd weer te voorschijn kwam, ongeacht hoe hard je hem erin schopte. Het muurtje uit zijn jeugd dat de bal telkens perfect in de voeten kaatste. Zo was het leven zelf een feestje. De binnentijd was een binnentuin ter ontspanning, ter viering van de teugels en de lijn aan de benedenhoek van het zeil. Het was de rust die hij tussen twee enerverende helften vond. De derde helft een bier. Eigenlijk leefde hij van rust tot rust. Zelfs de koude douche kon hij waarderen. Hij stond er lang onder, Wim Hof stijl. Het water raakte langzaam van zijn rust doordrongen. Eigenlijk speelde het de rol van koud. Op atomair niveau bestond geen temperatuur, was het -271 graden. Hij stond middenin in een niet-bestaand vacuüm, in het holst van de alledaagsheid.

Duidelijke doelstellingen
Uiteindelijk was hij voorbestemd Ubermens te zijn. Of zoiets. En hetzelfde gold voor iedereen met een soortgelijke houding ten aanzien van de ziel en hetgeen er na dit leven gebeurt. Zo iemand was Herder ook geweest, dacht Howard. Qua perceptie gebeurde er vrij weinig. Het ontbrak slechts aan besef van voorbijgaande tijd. De ruimtelijkheid bezette alle zinnen voor betekenis. Als kind had Howard bij het slapengaan veelvuldig figuren van klein naar groot zien gaan. Mensen voor een muur, ineens opgeblazen tot reusachtige proporties. Bij zijn grote Vertrek zou hij ze weer zien, en tijdlevens zou hij ernaar streven zichzelf in die opblaasmachine te plaatsen. Of toch niet.

Tenslotte was hij niet reusachtig groot, en het was een simpel trucje om zich megalomaan te voelen, verheven boven alles en iedereen, zonder medeleven, zonder volkse geaardheid. Het was nep en duurde maar even. Tot hij de machine weer leeg liet lopen en hem zorgvuldig in de kast stopte. Te nep voor Howard. Te plastisch. Ook al was het misschien inherent aan wat er in het hiernamaals stond te gebeuren, hij had er nu geen interesse voor en ging door met het vouwen van zijn kleren. Hij had per ongeluk zijn beste pak mee gewassen. Het lag er wat verfomfaaid bij. In de kreukels. Hij voelde medelijden met het pak. En met hemzelf, zonder beste pak. Gelukkig droeg hij het nooit, en had hij circa vijftig andere, duurdere pakken die hem beter bevielen.

Omringd inmiddels door Fraains, Vleims en Doens voelde Howard zich ineens opgenomen in een geheim genootschap, het genootschap der West-Oeropeanen. Oneerlijk natuurlijk, als hij dit vergeleek met waar hij gisteren nog had lesgegeven, met hoe hij twee dagen geleden op een regenachtige dag 30 kinderen 6 uur langer had toegeschreeuwd met gespeelde kwaadheid. De trots die hij had gevoeld was een kwaadaardig gevoel, maar hij kon er niet omheen omdat de loop der omstandigheden dit zo hadden bepaald. Howard had in vergelijking met de norm geen vrije wil waar hij altijd op terug kon vallen. Het was politiek correct altijd verantwoording voor jezelf af te leggen, en dat deed hij dan ook, maar geloven in dit fabeltje deed hij allerminst, omdat deze vrijheid rechtstreeks indruiste tegen die andere vrijheid, die van de schitterende ziel in niet-bestaande momenten. Waarschijnlijk had Kellendonk dit beter gezegd, maar ook dat maakte niet uit.

Hij was voor een goede opleiding in Nerderland alleen geselecteerd op zijn aanleg voor taal. Howard had op zijn elfde een verhaal geschreven voor de 7 uur durende CITO-toets en had direct begrepen dat hij daarmee beter afstak dan andere leerlingen. Hij wist alleen niet meer waar het over ging. Misschien had hij iets moois of belangrijks geschreven. Er was ook zoveel dat verloren ging op manieren die hij later niet kon herinneren. Deze teloorgang was er slechts één van. Op een bankje zat hij te wachten tot zijn vliegtuig zou vertrekken.

Als 16-jarige laten zijn ouders Howard met de bus naar een particuliere school in Angeland in gaan. Hij stapt uit en belandt te midden van allerlei onbekende jongens en meisjes, en jongens en meisjes slapen apart. Er is één meisje in het bijzonder dat zich tot Howard aangetrokken voelt en dit is wederzijds. Na enkele weken zijn jongens en meisjes door wangedrag volledig gescheiden en kan Howard niet meer online komen om met zijn ouders te praten. In het weekend loopt hij op straat met wat jongens en het is nog licht buiten. Ze lopen rond met een plattegrond van de stad. Howard heeft allerlei ziekenhuisapparatuur voor het nemen of geven van bloed. Dan blijkt dat hij ergens in Duisterland is maar op een plek die hij nog niet kent. Hij kan het niet uitzoeken en denkt dat het Weimar moet zijn. Hij ziet een rond grijsstenen gebouw met een polygoon dak in de buurt van een boom en een straat. Er zijn twee agenten die hem om een buskaartje vragen, hoewel hij midden op straat op een plattegrond van de stad kijkt. Er waren nog meer dingen aan de hand die Howard was vergeten. Hij vertelt de agenten dat hij geen kaartje heeft en ze zeggen dat hij er een moet kopen, dus gaat hij er een kopen, maar doet dan toch iets anders, op het balkon van een moskee of kerk en merkt na een tijdje niet meer waar hij is. Hij ontmoet een man die al twee jaar een volgeling heeft gehad. Ze gaan naar de achterste kamer en er wordt meer bloed vergoten. Zijn gezicht is helemaal rood omdat hij veel te veel uit zijn oog- en mondhoeken geeft. Zijn assistente, degene die hem volgde, is aardig.

Twee jongens spraken Duisters en gingen links voor hem zitten. Waarschijnlijk toeristen, op weg naar Amsterdoem voor een lang weekend. West-Duisteren aan hun accent te horen. Ze moesten net als Howard nog een kwartier wachten voor ze het vliegtuig mochten betreden. Een gedeeld lot. Een waardesysteem dat koppies dezelfde kant op laat staan. Een gedeeld wereldbeeld.  Op één en hetzelfde moment passeerde in de verte een zojuist gelande Boeing, terwijl er voor het oog vlak achter vandaan een kleiner vliegtuig onder een hoek van 45 graden opsteeg.

Volgens Herder bleef er uit een aanzienlijke hoeveelheid mogelijkheden voor iedere persoon slechts een aantal werkelijkheden over. Deze zouden samen de horizon vormen, de horizon der betekenis. Daarachter zou deze persoon nadien nooit meer durven of kunnen kijken. Howard deed wat binnen zijn mogelijk- of werkelijkheden viel en liet al het andere gevoelloos en blindelings links liggen. Toch had Howard zich keer op keer in situaties aangetroffen, die een verbreding van zijn horizon noodzaakte en waardoor hij – van linkse kou doordrongen, zich verticaal voortbewegend, soms vallend, soms klimmend – een glimp van de horizon zelf had opgevangen.

Zwaarder dan gehoopt
Het was tijd om in de rij te gaan staan voor de vlucht naar Amsterdoem vanuit Koop-en-Behagen, waar Howard nu was. Ook op de terugweg zou hij hier zijn en 5 uur de tijd hebben om in een cafeetje in de stad te schrijven. Tegendraads bij het horizontaal beleven is dat al het menselijk geluk stoelt op de vooroordelen die door horizontaal te leven ontstaan. Vooroordelen over andere bevolkingsgroepen, over het andere geslacht, over andere volkeren, over een zelf dat er niet was, allemaal prachtig want het maakte de mens gelukkig. Alleen moest wel de plaats en tijd, de situatie in acht worden genomen. We mogen natuurlijk niet generaliseren. Het collectief wordt geschapen voor het individu zelf, om menselijk te overwinteren door de gelukservaring.

Nog nooit had Howard zoiets doms gehoord. Hoe kon hij nou, de onbenul ten voeten uit, dat soms wakker werd met grote gevoelens van gemis, denken dat geluk het doel was? Het doel was soldaat te zijn en geen watje. Een lafaard gaat duizend keer dood, een soldaat slechts één keer. Soldaat zijn betekende oprecht zijn, recht voor zijn raap zijn, niet wegkijken, alles doen wat binnen je mogelijkheden ligt, alles geven voor waar je in gelooft al zou je erbij sneuvelen. Het betekende jezelf te militariseren, wapens te zoeken en te gebruiken, met inkt gepende stukken de wereld in te sturen, blaaspijppijltjes met naalden te schieten.

Howard schrok. Dat kon toch niet waar zijn? Hij was al 500 keer gestorven, waarom kon hij niet gewoon die andere 500 keer ook sterven, waarom moest het maar één keer zijn? Hij was toch vredelievend, anti-gewelddadig opgevoed? Met zijn vriend Mowie was hij altijd tegen vechten geweest. Hem was geleerd weg te kijken, de andere wang toe te keren, de weg der minste weerstand te kiezen. Dit was hij toch helemaal niet? Het vergde een afstoten van zijn zelf, zijn werkelijkheid, zijn individu, zijn wereld, zijn universum, zijn volk. Maar voor zijn volk wilde hij juist op de bres springen! Oh, wat een paradoxale toestanden!

Misschien kon hij het lafhartig proberen, door eerst te doen alsof. Maar nee, dan zou hij vroeg weer verzanden in de maalstroom van de eeuwige afleiding via mediakanalen, in het vooral geen controversiële bronnen checken, in het vooral geen eigen gedachten hebben over technocratie, klimaathoax, psyops, en ga zo maar door. Het veilige erbij willen horen, ondanks de misselijkheid en het alles overstemmende onderbuikgevoel. Was er misschien een tussenweg? Alles hing ervan af of het 20 jaar geleden opgedane idee kon slagen, of helderziendheid aan te leren viel. Slagen betekende hard door te zetten, betekende te leven, betekende al spelend te leren van de eigen ervaring.

Als kind stapte hij over zijn grenzen van verlegenheid heen en vroeg aan buren of zelfs wildvreemden of hij in de schuur mocht spelen met zijn bestuurbare hovercraft. Opeens was hij aan het organiseren, plande hij dingen, was hij heer en meester in het moment. Wie was hij terwijl hij dat deed? Kon hij dat wel? Deed hij niets? Of hij de hond mocht uitlaten, of hij naar de speeltuin mocht. Of hij blaaspijppijltjes mocht schieten.

Onderzoek naar geweld en natuurlijke nieuwsgierigheid en handigheid of dexterity in de binnenstad van Chicane met papieren pijltjes waarmee je elkaar kunt beschieten, vormde een link met het dagelijks leven. Deze verduidelijkte  het onderscheid tussen Spel of Play in Nerderland, vergelijkbaar met Oorlog of Game in Chicane. Dit onderscheid bracht gedisciplineerd geweld, waarbij alleen sommige wapens werden gebruikt en geen spelletjes werden gespeeld, samen met speels of subliminaal onderdrukt geweld, ofwel de culturele gerichtheid op het ‘goede’ om je heen. Beide partijen konden elkaars positie voor elkaar inzichtelijk maken – het waren ofwel ‘gewoon’ aannames of opdrachten aangaande wapens, ofwel pogingen het beestachtige in de mens een beter bestaan te geven.

Met de voortgang van de speelgoedindustrie kwam het gevaar bij de Nerf-pistolen te liggen. De langwerpige schuimplastic cilinders met klein plastic dopje konden ook in het oog belanden, getuige een aantal  ziekenhuisbezoeken. Toch leken deze onder te doen voor de naalden die Howard vroeger zorgvuldig in de papieren pijltjes had gedraaid zodat ze in hun doelwit bleven hangen.

Licentie

Howard Buut Zijn Volk Vrij Copyright © 2020 by Peter Blank. Alle Rechten Voorbehouden.

Deel dit Boek

Feedback/Errata

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.