Weerzin Der Almachtigen

Howard de Netwerker

Van koffie kon deze morgen geen sprake zijn. Hij keek uit zijn voorruit. Er lag een man op de weg. Misschien was hij net gevallen, misschien wilde hij alleen geld. Howard stapte uit. De sneeuwstorm ging dwars door zijn gezicht heen. De ene geestesverschijning stapte op de andere af.

Hallo, probeerde hij.
Geen antwoord.

De man had zijn ogen open, maar toch leek het of hij sliep. Howard pakte zijn hand en trok eraan. Zijn collega geestesverschijning stond abrupt op, had blijkbaar door dat het spel niet ging werken, deed niet eens of zijn arm zeer deed, maar hield toen toch zijn hand met versleten handschoen op voor wat centjes. Howard had niets op zak. Hij liep terug naar de auto waar hij wat kwartjes in een glazen potje bewaarde voor als hij zijn banden moest oppompen. Hij pakte er twee kwartjes uit en wilde teruglopen, pakte toen toch nog een derde kwartje. Half in zijn auto naar binnen gebogen dacht hij even na, stopte toen toch het derde kwartje terug en liep terug naar de man.

Deze was nergens meer te bespeuren. Hij had ook niet gezegd dat hij kwartjes ging pakken. Nou ja, volgende keer beter voor hem. Inmiddels had hij het ook koud gekregen dus reed hij verder naar de Poepbucks om een lekkere grote koffie te halen. Die had hij wel weer verdiend. Met dit weer. De koffie gaf hij na twee slokken weg aan een dakloze, maar die bedankte. Hij zette de koffie op zijn auto en deed net of hij hem was vergeten. Bij het wegrijden gleed de koffie op straat. Howard stopte snel riep ‘Oh!’ en bewoog zijn armen hoog en laag, alvorens weer verder te rijden.

Zijn schuldgevoel over gespilde koffie laaide hoog op maar hij wist niet zeker of het wel gebeurd was. Bedachtzaam nam hij een derde slok. Zo kwam hij zichzelf van moment tot moment voor als opgenomen in een lagere wetenschap die niet het kindse herhalen maar in plaats daarvan de kille waarheid en bijbehorende moraliteit onderzocht. In die momenten was hij zichzelf zelf en toch ook niet. Hij was zichzelf een soort van zelf.

Hoge golven komen links van de zee. Twee acteurs liggen klaar om gered te worden van de torenhoge golven. Alles verdween maar later op een eiland was Howard met een groep vrienden en twee blondines. Hij wist de rust te bewaren waar iedereen bang was geworden. Er kwam een auto aanrijden, Howard sprong er bovenop en was kalm, zijn voet stak door de voorruit, en hij zag zichzelf in het gezicht; hij was zwart en kalm. Toen doodde zijn rechterarm de man in de passagiersstoel door hem met een stuk glas in de mond te steken. Toen een andere man achter hem, maar de chauffeur trof hem met een ander stuk glas.

Omringd door minzame vrienden
Toen hij ontwaakte was zijn gevoel dat dit een mooie droom was vanwege vriendschap, goddelijke rust en onderscheid tussen strand en water. Hij stond open voor zijn pogingen mannelijke en vrouwelijke zelven te verbinden, want dit kon alleen speels gebeuren. Toch was hij nog liever meningloos door zijn eigen domheid in te zien, dan dat hij dacht over zijn zelf veel te weten. Heel veel mensen wisten veel meer over zichzelf. Maar op verstandelijk niveau moesten zij allemaal gaatjes prikken in iemands hoofd om hun zelf een plaats te geven, en dat ging niet, leidde tot fricties. Dan kon hij beter sociale fricties vóór zijn door zelf open te staan. Dat open staan en domheid samen gaan had hij nu eindelijk begrepen.

Door de combinatie van zijn koppigheid en zijn gevoel voor verliezen sprak het vooruitzicht van Simple Football Forever hem erg aan. Met domheid geslagen besloot hij al het andere te vergeten om nog dommer te zijn. Het was alles wat hij ooit had gewild. De genialiteit in het spel lag niet in het begrijpen van je sociale rol of inzicht bij de passing: het lag in liefdevol zijn ziel erin leggen. Dan kwam de genialiteit vanzelf. En deze had hij op zijn beurt in het spelinzicht of de helderziendheid ontdekt.

Hoe kon hij het idee van helderziendheid doorzetten met voetbal combineren? Niet voetbal zoals hij het op YouTube zag. Zélf spelen, altijd. Hij speelde al sinds zijn vierde jaar. Geen van zijn vrienden had dat gedaan. Zijn vader plaatste de grootste foto ooit in de plaatselijke krant van hem als jongetje in een belachelijk groot doel. Het doel van het streven naar geluk. Altijd creatief zijn met een bal. Of om een bal te hebben, ergens tegenaan te kunnen schoppen. Of te leren wat Simple Football Forever als levensveranderend spel eigenlijk moest voorstellen.

Het nam alle twijfels weg over zijn morele kompas en zijn relatie tot God. Bijbels vreesde hij Gods aanwezigheid dat zijn simpele eigengereidheid zou wegnemen. Frenkie was een controlerende speler met precisie in de passing (‘voetwerk’) met haast bijbelse angst voor balverlies. De rest was hype. Ook Cruijff was gehypet. Ook Howard was gehypet. In de jeugd was hij dan wel gescout door een nabijgelegen grotere club, had hij in een regionaal elftal, internationale toernooien en in het eerste team van een Amsterdoemse tweedeklasser gespeeld. Op zaterdag. Veel meer dan een beetje talent had hij niet laten zien.

Maar alles en iedereen was gehypet en door dat soort handigheidjes van zijn brein was spelen zelf belangrijker geworden dan winnen, ook al wilde hij nog steeds ook gewoon winnen. Of tenminste niet verliezen. Hij had vrijwel alle voetbalwedstrijden die hij ooit gespeeld had verloren, bijna allemaal door een fout van hem. Vaak had hij zich slecht gevoeld over weer een verloren pot. Zeker als het zijn schuld was, wat het altijd was. Dat was zijn trauma en daar was hij voor behandeld. Om er bovenop te komen ging hij naar huis om een koude douche te nemen. Als kind had zijn moeder hem al onder de koude douche gezet als hij weer eens kwaad en jankend van het veld liep terwijl de wedstrijd nog niet eens afgelopen was. Net als Beyoncé Knowles-Carter jaren later legde ze tijdens het douchen uit hoe hij nooit iets zou leren en nooit zou groeien als alles al perfect was.

Op een dag was hij begonnen zich helderziend te gedragen op het veld, geïnspireerd door Frenkie, die in een Speense krant helderziend was genoemd. Hij liet een shirt printen met ogen op de rug: het getal 8 op zijn kant. De oneindigheid in turen terwijl hij een balletje speelde. Dat was leven. Het was ook niet iets vaags dat buitenzintuiglijk plaatsvond, hij moest zich er gewoon ontvankelijk voor stellen, bijna religieus ontvankelijk.

Op een donderdag werd er last minute een basketbalwedstrijdje georganiseerd tijdens de 5e periode op één van zijn basisscholen. Hij deed net of het voetbal met zijn handen was en kon aardig meekomen bij een potje leraren vs. leerlingen basketbal. Hij was lang maar kon net niet dunken, en was de enige wit-grijze die meespeelde, maar omdat hij veel vanuit het voetbal vertaalde scoorde hij een paar keer, maakte een paar steals en rebounds onder de korf. Grappig maar helaas, toen een leerling van dertien met zijn volle schouder zijn linkerslaap binnen vloog. Dat terwijl hij de bal al had gespeeld. Buiten westen lag hij half tegen een groene mat aangeleund. Toen hij weer bijkwam zei de leerling sorry, en hij meende het. Of toch niet. Hij had het echt niet zo bedoeld, zei die nog. Street kids play rough. Hij zou de volgende dag weer gymles geven.

Ze lazen het boek The Wind in the Door van Madeleine D’Engle. In het boek leerden een stel middelbare scholieren om te ‘kythen’, wat zoveel betekende als elkaar opbellen zonder daarbij technologie te gebruiken, telepathisch dus. Hij vroeg zijn leerlingen hoeveel van hen geloofden dat telepathie inderdaad mogelijk was, waarop ze nagenoeg allemaal hun hand opstaken. Hij stond weer even midden in de wereld, was weer even empirisch bezig. Deze jonge generatie was weer meer aan het dromen dan de generatie voor hen. Of wat het geen dromen meer? In zijn eigen generatie was Howard voorloper geweest.

Als je speelt tot het einde, dacht Howard bij zichzelf, betekent dit dat je je spel gevonden hebt. Als je voor de lol speelt heb je je spel gevonden. Als je ervoor kiest om te leven zonder te proberen om de bal te spelen heb je je spel niet gevonden. De vrije stroom van woorden kon alleen worden gestopt als er toch helemaal geen spel bleek te zijn, of dat een ander, minder leuk spel het zou overnemen. Als je sliep, bijvoorbeeld, kon een droom het stokje overnemen en hij wist soms niet of het een leuke droom zou worden. Soms wist hij dat wel. Soms dacht hij het te weten, maar wist hij het toch niet. En vice versa. Maar hoe zag het spel eruit aan het einde? Hoe wist je dat het spel op het punt stond om over te gaan in iets anders, of om te stoppen?

En daarbij kwam natuurlijk de vraag wat dan de bedoeling van het spel was. Toch zeker niet om eindeloos in het duister onder de motorkap te zitten om zijn dwangmatige zoeken naar bedoeling uit te schakelen? Helderziend leren zijn, OK, maar wat moest hij zien dan? Wat anderen niet zagen? Absoluut niet. En was met ‘clarividente’, zoals Frenkie was genoemd, niet gewoon attent en helder ziend bedoeld?

Het spelletje ik-zie-ik-zie-wat-jij-niet-ziet had hij vroeger heel saai gevonden. Hij had er zijn eigen, enigszins domme variant op bedacht. Die vond hij wel leuk. Hij zei dan bijvoorbeeld ‘ik zie ik zie wat jij niet ziet en de kleur is blauw’. De ander raadde dan bijvoorbeeld ‘die blauwe vaas?’ en telkens zei Howard, ‘nee joh, die zie je toch, het is iets wat je niet ziet!’ en proestte het uit. De ander vond dat meestal niet grappig. Soms sloeg de ander hem dan en vroeg ‘Dat blauwe oog misschien? Ik zie het niet maar jij straks wel in de spiegel!’

Howard voelt zich verdord

Howard is met zijn familie op stap in een game industrie park. Het spel bestond eruit dat iedereen voor zichzelf door gangen moest zwerven op zoek naar goede middeltjes. Je mocht niet worden gezien of gevonden want dan was je af. Howard wist niet meer of je op elkaar kon schieten, maar toen hij opgaf deed hij wel zijn handen omhoog, zo van: niets doen hoor, ik haal mezelf uit het spel. Het was enorm spannend. Bovendien was het overal schemerig. De instructies voor het spel waren enorm gecompliceerd. Bovendien had hij totaal niet opgelet omdat hij daar geen zin in had gehad. Het bleek zo spannend, omdat hij wel had meegekregen dat er in sommige van de bakjes die je onderweg tegenkwam giftige goedjes zaten, waaraan je zou sterven bij opeten. Natuurlijk zou je het dan niet eten, maar in de droom scheen het logisch dat het toch een bedreiging was. Op zeker moment zaten wel zes mensen verscholen onder een bed, toen een bewaker kwam om hen te betrappen (dat was het spel, dan zouden ze af zijn). In die ruimte bewoog Howard (en sommige anderen) zich voort onder achter elkaar staande bedden. Je trok je als het ware voort. Op het moment dat de bewaker iemand voor hem spotte, kwamen meteen zes mensen onder het bed vandaan. Met meer mensen maak je natuurlijk ook meer geluid. Hij zat net een bed achter deze zes en hield zich stil. Maar hij werd zo bang dat hij gif zou eten of dat iets anders slechts zou gebeuren (misschien wilde hij ook gewoon bij de groep blijven) dat hij zichzelf overgaf, ook al was hij als enige van deze groep niet was gezien. Trillend kwam hij tevoorschijn, bang dat iemand hem zou beschieten. Het scoreformulier vulde een andere bewaker in. Hij zei dat Howard best goed gescoord had, maar daarin klonk de afwijzing van zijn lafhartige actie door. Even later waren ze met zijn allen in de kantine koffie aan het drinken. Hoewel, de rest had al een bak op en Howard ging voor de rest halen. Vijf dacht hij, het waren er zeven.

Voor zijn werk op middelbare scholen werd Howard vaak ingeroepen als probleemoplosser. Hij loste niets op, was slechts aanwezig. Zijn positie was vol-ledig gehypet. Hij zocht en paste vele beproefde methodes toe maar vond nooit de best passende voor een specifieke situatie. Als interne of externe communicatie psycholoog wist hij niet eens waaruit zijn beroep bestond. Hij was aangewezen op de empirische methode, maar anders dan gewoon waarnemen wist hij niet wat dat inhield. Onwetenschappelijk zijn in zijn werk was waarschijnlijk de ergste misdaad die hij kon begaan. Dat zou veel erger zijn dan tegen een vreemde of zelfs tegen zijn geliefde te schreeuwen, omdat hij er goede redenen voor zou kunnen hebben. Dat zou erger zijn dan zijn auto tegen een andere auto aan te knallen, omdat een combinatie van factoren het waarschijnlijk zou kunnen gemaakt hebben dat zoiets in zijn leven zou voorkomen.

Maar nog erger dan onwetenschappelijk zijn was misschien onwetenschappelijk schrijven. In de woorden van Steven Pinkeler heette dat onbegrijpelijk schrijven. Dat was alsof je een neonazi was, iemand die stond voor een nieuw soort nationaal socialisme, iemand die zijn eigen cultuur en taal voorop wilde stellen en tegelijkertijd alle goederen wilde delen met iedereen die erbij hoorde. Waarom zou je niet eerst je gedachten willen ordenen, eerst op les willen, eerst eens op een rij krijgen wat je eigenlijk bedoelde voordat je het opschreef? Waarom zou je niet het huidige regime volgen, waarin je je duidelijk moest uiten, in wetenschappelijk aanvaardbare taal, en niet moest proberen te schrijven. Of als je het probeerde, dan in Godefroids naam eerst op les gaan. Je wilt niet dat iemand oprecht een poging doet je verhaal te lezen en op vervelende manier verstrikt raakt! En alsjeblieft niet doen alsof je beginnersproza esthetisch gezien iets toevoegde want als je niet wist hoe je het goed zei, kon het helemaal niet mooi zijn. Volg de leider of anders: zwijg als het graf.

Maar dat was fascistisch!

Zijn gemoed deed niet helemaal onder voor een verleden waaraan de term nazi aan ontsprongen. Maar toch, Howard had in Duisterland geleefd en vond zijn gemoed in Chicane vele malen dichterbij komen, vanwege de ziekmakende onzekerheid die hij voelde, de ruimte die hij kreeg om de ‘juiste’ vormen van zelf-censuur toe te passen om zo zichzelf als voorbeeldige versie voor te doen. Door het kleine boekje Kaspar Hauser wist hij echter ook, dat iemand die zich aan moet passen aan een nieuwe wereld met een andere taal (of überhaupt met taal) bijna altijd het boekje te buiten gaat. Ook al waren Angels en Duisters niet ver van het Nerderlands verwijderd, toch zorgden de logica en syntax specifiek voor die taal voor wrijvingen die altijd tot uitersten dreven.

Het gedrag zelf werd dan altijd het individu toegerekend, nooit de abstractie van taal of zelfs een mengeling van beide. Het was namelijk dom om niet het boetekleedje aan te trekken en de omstanders je gevoel voor gerechtigheid te laten zien.

De regering van de woestijn
Als nationaal socialist was onwetenschappelijk zijn in het denken en schrijven bijna net zo erg, op één detail na: het was politiek, geen wetenschap. Politiek zijn was niets om je voor te schamen, maar de poging a-politiek te zijn vond Howard een veel betere zaak, ook al was dat niet mogelijk. Sinds George Orwell was de politieke daad van medemenselijke beïnvloeding noodzakelijk geworden. Alleen angst, kwaadheid, triomf en zelfvernedering zullen zijn overgebleven, en het seksinstinct uitgeroeid. Machthebberij, en de angst om aan de kant van de verliezer te staan stonden centraal. Je wilde niet degene zijn met de laars in zijn gezicht, klein gehouden door zichzelf en het legitieme geweld van de staat. De mens was nu draaikont.

In een politieke wereld bestond alleen slecht of goed. Howard deed zich continu voor als de één of de ander, wetende dat er vele gezichten van waren, die onontwarbaar bleven. In een politieke wereld bestaat geen taal om slecht of goed als zichzelf te presenteren. Geen enkele omstandigheid die daartoe zou kunnen leiden, zou zich kunnen voordoen als zichzelf, als het ding dat het slechte adequaat presenteert. Niemand had ooit van zoiets gehoord. Het was dom. Het was polemisch, retorisch en polariserend. Je bent óf met ons, óf tegen ons, je bent óf slim, óf dom. Zo’n gedachte, dacht Howard, was waarschijnlijk dom. Maar zelfvernedering was misschien nog dommer. Hij wist het niet.

Nergens ter wereld kon de drieklank, de ondertekenaar van het teken, de schrijver-boek-lezer, de werkelijke betekenis van de uitwisseling in de zin van Georg Simmel, zich door datgene heen worstelen wat duidelijk dom was, of misschien was dit idee wel het enige echt domme: of je er nu een van ons was of niet, je kon nooit de triade zelf zijn, dus was jij de vijand, de nationaalsocialist, de anti-humanist, degene die zijn tijd afzette in het licht van de geschiedenis, die vanaf de 17e eeuw geen ander tegengeluid liet horen dan de onontkoombare culturele druk, het computationeel africhten, de mens onder het knarsend juk der mechanisatie. Daarbij was, bij Herder, de toekomst zelf het resultaat van een aan de geschiedenis immanent proces. Blijkbaar was buiten de invloed van mensen om een proces gaande dat het gezicht van de toekomst langzaam maar zeker prijsgaf. Voor Herder was dit hoe dan ook het goede, juiste gezicht, dat direct of indirect goed was: de heilsgeschiedenis. Ook de mensheid aan haar bittere eind kon lering trekken uit dit gezicht, misschien om zich, getooid met kennis, in het hiervoormaals een houding te geven.

Naast hem zat een studente nu alweer drie kwartier lang hetzelfde drienotige nummer op de piano te spelen. Lovely van Billie Eilish. Natuurlijk kende hij deze ongetwijfeld enorm talentvolle jonge zangeres niet. Bij het intypen van haar naam verscheen meteen weer het klimaatboegbeeld Thunberg. Als postmoderne Baphomet niet weg te slaan. Keer op keer de trieste werkelijkheid van ouderen die maar niet wilden luisteren en nu uit de maatschappij weg moesten. De relatief oude hydroloog Alfred Siegfried Dyck uit Beerlien was in 2017 op 90-jarige leeftijd verscheden. Howard had liever naar Dycks indruk van hydrologische metingen in het officiële klimaatverhaal geluisterd dan naar Thunberg, liever naar inhoud dan naar leegte, liever naar wetenschap dan naar politiek.

Is ‘nationaal’ in nationaalsocialisme eigenlijk wel hetzelfde als gewoon nationalisme? vraagt Howard zich nu weer af. Het was een duivels pact, misschien. Het één die beweert nationalisme met internationaal gezind socialisme te verenigen door duidelijk aan één kant te gaan staan. Het ander is toch socialisme dat gewoon van de eigen kracht uit wil gaan. Dat het ego niet wil ontkennen, dat niet de blinde overgave aan het lot wil, maar wil uitpluizen, vooropstellen, veiligstellen, kortom zich uiten. Iets wil aanbieden, schenken, waarlijk gastvrij wil zijn.

Via het idee van nationaal individualisme, met het wezen van andere tijden, andere volkeren, herontdekt in het eigen zijn, als gedeelde gelukzaligheid in het zijn en het geweest zijn, kon Howard Herder gebruiken om politiek actief en toch geen nationaal socialist te zijn. Nu hadden geschiedenis en politiek alleen voor conservatieven iets gemeen. In een politieke wereld schenen de veranderaars zich enkel en alleen om het voorkomen van naderend onheil te bekommeren. Dat was voor Howard het bewijs dat het om een oneigenlijke beeldvorming ging, waarin uitgerekend de groep die zich voor gerechtigheid in de wereld inzet het zonder geschiedkundig besef moest stellen.

Maar dit voor Howard nieuwe individualisme verdiende wat uitleg en wat levensechte ervaring. Hoe zag dat eruit? Zijn balkon keek uit over een arme wijk in het zuiden van Chicane. Hoeveel mensen in een omtrek van vijf mijl hadden ooit van dit idee gehoord? Hoeveel hadden er ooit met interesse een studie van gemaakt? Maar ze hadden wel van dansen gehoord, en van voetbal. En waarschijnlijk van sporten als kunstvorm. Hij besloot het schrijven te verleggen naar het voetbalveld, ook al was hij in de zestig, hij voelde zich veertig, en had zijn aanvraag tot verjonging al bij de overheid ingediend. Het was nog slechts een kwestie van tijd – misschien tien jaar – tot hij weer midden veertig zou zijn, en daarna misschien wel midden dertig. Het einde was nog niet in zicht. Met de huidige verjongingskuren zou hij misschien wel nooit meer doodgaan. Een soldaat sterft nooit. Of was hij juist een lafaard door dat te doen? Lag duizend keer sterven niet dichter bij nooit sterven, zoals bij de bal die nooit de boom raakt zolang je de afstand bal-boom maar bleef halveren?

Schaarste aan zand
Hij luisterde naar een oude radio-uitzending door VARA’s Michiel de Ruyter, die net als Hans van Zijl (broer van nieuwslezer Joop van Zijl) in een rolstoel zijn werk in Hilversum kon verrichten. Hij was midden dertig toen het werd uitgezonden. Dat zou hij binnenkort weer zijn. Al die oude knarren waren al dood. Ha! Weer gewonnen. In een interview met Kenton was de typische uitspraak van De Ruyter weer te horen en voor zijn tijd aangenaam Angels. Opeens doofde hij het geluid en draaide met een zwaai zijn bureaustoel 180 graden, om een broodje met dik pindakaas te smeren. Hij deed lekker jong, spontaan. Ook al was het voor een Nerderlander best goed Angels, als taal was Angels hem nooit goed bevallen. De helft van de tijd dekte het niet de lading van hetgeen hij in het Nerderlands of Duisters zou hebben gezegd. Dan was hij zelf ook nog eens met A-meer-ik-aans Angels omringd. Gewoon zijn eigen beestje. En hoe hij er ook in thuis raakte, telkens weer zag hij zich geconfronteerd met hoe armoedig zijn taal was vergeleken met zijn Nerderlands of Duisters. Het Angels mocht wat hem betreft oud worden en doodgaan, net als die oude knarren.

Zijn gedachten maalden weer eens door. Howard moest proberen de mensheid in het algemeen duidelijk te maken dat te veel mensen vastzitten in een hunnie-tegen-ons denken (en vice versa). Maar die mensheid was vooral hijzelf. In- en uitsluiting zijn en waren het sterkste wapen waarmee vrouwen (en mannen als de boosdoeners die opgeworpen grenzen kunnen doorbreken) ooit hun clans verenigden. De vrouw in hem sloot uitsluiting niet uit, maar vond insluiting belangrijker. De twee zouden natuurlijk nooit één en dezelfde zijn, omdat dat dom geabstraheerd en dus misleidend was.

Howard sleepte een kop koffie naar buiten en morste de helft op zijn broek bij het in de auto stappen. Niet lang geleden had hij zijn beker op zijn auto laten staan en was hij weggereden zonder iets te merken. De zon was door de wolken gebroken, waardoor hij bij het wegrijden niets meer voor zich kon zien. Wow, wat was het mooi en zonnig buiten, dacht hij, maar de gedachte was niet goed neuro-linguïstisch voorgeprogrammeerd. Het woord wolken deed hem denken aan het in de wolken leven, wat dokter Gerlagh hem had bevolen. Maar wolken waren mistig, een wolkje room in zijn koffie kon de hele boel bederven, klimaatonderzoekers hadden het raadsel van de invloed van wolken op het klimaat nog lang niet doorzien. Mistig, nevelig, waterig, soms ijzig – wolken waren andere koek. En hoezeer hydrologie in het klimaatverhaal geen rol speelde, daar kon Howard met zijn wolkig verstand niet bij.

Werken moet je, dacht hij, maar een boom blokkeerde zijn zicht en een andere auto toeterde omdat hij voorrang had. Pfff, zo dichtbij, Howard probeerde oprechte opluchting te voelen, maar het ging niet. Als de bestuurder een nog gemenere uitdrukking op zijn gezicht had gehad, had Howard waarschijnlijk een zielsverwant gevonden. Voor een persoon met zo’n lage uitingsdrang als Howard was het moeilijk om aan de bal te blijven. Hij was een volgroeide volwassene die resoluut niet kwaad werd. Hoe eerlijker hij in zijn leven als schrijver kon zijn, hoe beter het was voor de onderlinge verstandhouding met anderen. Hij stapte uit, de bestuurder draaide old school zijn raampje omlaag.

Op rustige toon begon Howard te verwijzen naar Eric Berne’s 3-voudige analyse van spelen als con (sociaal), gimmick (verhaal) en payoff (selectie), welke dan de deal zou settelen. Daar had de bestuurder nooit van gehoord. Sterker nog, hij stapte uit en bleek een kop groter dan Howard, die daarop zijn benen uitschoof en rug rechtte, en op zijn beurt weer een kop groter was. De vijand stond vlak voor hem en hijzelf stond op de drempel van het binnenste buiten, rechtstreeks in beeld gebracht en verslagen. Het was een vriend die hij nog moest leren kennen. De standaard van intieme contacten, maar ook de wil om al het spelen te omzeilen en zich te focussen op de herhaling als een rol die hij kon oppikken als hij hem weggelegd zag. Herhaaldelijk ramde de man zijn vuisten in zijn maag. Howard zag snel de rol van over straat rollen weggelegd. Hij nam hem op zich.

Howard nam in dit opzicht de poging tot intimiteit die Eric Berne had ontwikkeld serieus. Berne’s concept van games was zeer verhelderend in het licht van de drempel tussen gedrag en houding, een onderscheid dat niet gemakkelijk te maken was bij het denken over spelen in het algemeen. Daarom begon het schrijven vanuit de alledaagsheid en rekende Howard op het feit dat zijn schrijven beter werd naarmate hij het meer deed. Hij kon potsierlijk slechte schrijfsels ook schrappen.

Naarmate het schrijfspel vorderde zouden eenvoudigere verbindingen met de lezer worden gemaakt, zou Howard meer over zichzelf en zijn levensspel te weten komen, zou hij inzien welke misselijkmakende maar ook gezonde spelletjes hem ervan weerhielden waarlijk intiem te zijn, zichzelf te zijn, één met de ander te zijn. Zichzelf daarin te pijnigen was, ondanks alle onderschattingen van zichzelf, altijd een probaat middel, en nooit een vernedering.

Ik voel me vernederd, dacht Howard. Ik wil per se ultimatums, waanzinnige gedichten en kolder schrijven. Schrijven is nu het leven zelf voor mij en dus moet ik iets schrijven dat ik ken en goed kan. Nee, Howard, dacht Howard, je moet niet slim willen zijn als je dom bent. Je moet niet denken dat zwart wit kan zijn, dat zwart onderdeel van zwart-wit is. Dat is waanzin en je reinste nationaalsocialisme.

Hij zou de Waarheid in zijn oog houden.

Licentie

Howard Buut Zijn Volk Vrij Copyright © 2020 by Peter Blank. Alle Rechten Voorbehouden.

Deel dit Boek

Feedback/Errata

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.