Met Open Ogen De Afgrond In

Howard de Doe-Het-Zelver

Uit zijn slaapkamerraam kijkend besloot hij dat het gewone spel door kon voor deugd. Toch was met Herder ook deugd overschat: de kracht die hij zelf was, alleen zijn eigen geschiedenis en het vermogen analoog te denken, baande zich vanzelf de enige weg naar gelukzaligheid. Door radicaal alles met alles te vergelijken verdween de behoefte zelfs van de deugd een onbegrijpelijke abstractie te maken. Als mensheid had Howard samen met iedereen op aarde zijn eigen grenzen, de horizon vertoonde zeer bepalende vergezichten. Onderwijs hing ermee samen, en een vergelijkend inlevingsvermogen, in anderen, in vissen, in bomen, trok vanzelf de grenzen van wat waar was, en wat niet. Dat moment in analogie levend te beleven was Howards vergezicht geworden.

Howard ontmoet (geen) mensen
Howards ‘Gespielen’ of speelgenoten waren met het voorbij strijken van de jaren in aantal verminderd. Slechts zo nu en dan nog zag hij Mausolano, die nu sinds enige tijd met hem afsprak en dan afzegde omdat hij te druk zou zijn. Maar Howard kende Mausolano beter dan wie dan ook in dit verre land, en wist dat afzeggen om een goede reden niet zo erg was, en afspreken zonder elkaar te zien toch voor half-afspreken doorging en gold als vriendendienst. Merkwaardig eigenlijk, want door deze stijl had Mausolano minsten 50 vrienden verloren, stuk voor stuk omdat ze hem beledigend vonden. Hij had er nooit van geleerd, koppig als de stier-achtige schorpioen die hij dacht te zijn.

Ook voor Howard was het aantal vrienden dat hij nu en dan zag drastisch gedaald. Het was zoals Jerry Seinfeld het zei: je kunt na je 50e maar het beste zo min mogelijk vrienden hebben, daar wordt alles net iets makkelijker door. Met de eenzaamheid ging hij om door juist de leegte op te zoeken, en dat lukte soms aardig, maar meestal natuurlijk niet. Hij liep wel eens een groot rondje met Hengelstaart, en het was wel mooi maar pas na twee kilometer lopen kwam het groene Jackson Park in zicht. Daar moest je dan voor rondvliegende golfballen uitkijken. De hond liet hij daarom maar liever niet los op het glooiende golfpark bij de kust. Hengelstaart had een keer op een mijl afstand een halve cheeseburger geroken en was plotseling weg gesprint. Vijf tellen later was hij nog slechts een wit stipje aan de horizon. Howard rende van Hengelstaart weg om hem terug te lokken, maar dat mislukte. De hond was nu helemaal weg. Snikkend ging Howard door de knieën. Hij bad op en neer tot God in de hemel en Allah in het oosten. Toen kwam Hengelstaart in verbazend snelle galop weer aangestoven, de man van de cheeseburger achter hem aan.

Op zijn school verving Howard een gymleraar die opeens met pensioen was gegaan. Burn-in. Dat gebeurt als je een burn-out hebt maar gewoon doorwerkt: je krijgt letterlijk brandwonden op je huid. Dat ging dan later vanzelf weer over. Hij was nog redelijk vers op deze school, had slechts een paar weken meegelopen, maar werd door leerlingen verafgood door zijn lengte en het feit dat hij blank en man was. De school lag in een niet al te goede wijk in het zuiden van de stad en had flink te kampen met een gebrek aan inspiratie voor kinderen, vooral ook omdat deze kinderen het liefst de ganse dag hun luide kelen openden. Het blèren werd Howard in de gymzaal soms wat veel, waardoor hij doorgaans geluiddempende oordopjes aan een touwtje om zijn nek had hangen. Een andere docent kwam wat onzeker over en deed Howard aan Frankenstein uit de vroege film met Geert Wilders look-a-like Gene Wilder denken. Misschien was dat zijn spel.

Een van beide kranige, zwarte, vrouwelijke beveiligingsmedewerker sprak de leerlingen voor de gymles toe. ‘Guys’, en ze keek even naar Howard om goedkeuring en tegelijkertijd excuses aan te bieden voor het controversiële woord dat ze ging gebruiken, ‘this white man is going to have the easiest day of his life because he sees that he doesn’t have to tell you anything.’ Ze doelde erop dat de leerlingen niet disrespectvol moesten zijn en zeker niet naar een blanke meneer omdat ze het hem zo makkelijk zouden maken om hen met een praatje om de tuin te leiden. Waar ze het vandaan had wist Howard niet. Ze vervolgde haar verhaal met een voorbeeld van hoe zij twintig jaar geleden met een groepje zwarte studenten een keer vreedzaam in opstand was gekomen nadat zij zich achtergesteld hadden gevoeld. Howard was niet zo goed ingevoerd in alle lagen van de rassendiscussie en ook niet op de hoogte van alle momenten in de historie, waar deze leerlingen dag in dag uit van werden doordrenkt.

Een aantal jaar eerder was hij nog veel minder ingevoerd geweest en hadden leerlingen elkaar en hem met tomaatjes bekogeld. Achter één van de schrijftafeltjes zat hij beschermd tegen het rondvliegend fruit. Hij was rustig en eigenlijk blij dat er iets bijzonders gebeurde, en had het uiteraard zelf in de hand gewerkt. Het was opeens niet zo saai meer. Het was hun middagsnack geweest en Howard had het niet aan zien komen totdat het te laat was. Dat was op een scholen in het westen geweest, in eveneens geen bijzonder veilige wijk. Ook daar had hij deels de gymleraar vervangen en zich voor eens en altijd voorgenomen aan dat hoofdstuk een einde te breien. Dat einde was er aan de andere kant weer als begin uitgekomen. Begrepen had hij het niet, iets met Ouroborus, geschiedenis herhaalt zich en alle andere goedbedoelde, diep klinkende wijsheden bij elkaar.

Hoe dan ook, Howard had geen moeite iets terug te doen voor het lot van de jongeren in het Meer-ik-aanse zuiden, voor wie het vele jaren lang normaal was geduwd, geschopt, in het gezicht gespuugd en botweg geweigerd te worden. Als dat terugdoen ook maar voor een duizendste procent in de buurt kwam van het daadwerkelijk ondervinden van die periode als zwarte – toen nog kleurling – dan was dat toch beter dan te praten, te vergaderen, actie te voeren om mensen bewust te maken, niets te doen.

Op één van zijn nieuwe scholen in het zuiden had Howard al na drie dagen een goede klik met de leerlingen. Hij voelde zich klaar, maar wist niet waarvoor. Misschien voor social reform maar het systeem zat potdicht met vergadergekken die alleen aan ontbijt en lunch denken. Op zijn derde dag als suppoost, of beter gezegd klaslokaalassistent bijzonder onderwijs (SECA) zag hij waarvoor hij wel klaar was: om emotioneel te zijn met de leerlingen, hen te laten zien welke weg hij had afgelegd, met welk een gemengd gevoel van wanhoop over hun achtergrond en liefde voor hun volksgezindheid hij voor hen stond. Hij sprak hun taal, kende hun cultuur en begreep ineens hoe de saamhorigheid via het enorme volume waarmee ze elkaar toeriepen te maken had. Ook wist hij ineens, maar dat was racistisch, dat witten elkaar veel meer met emotie in plaats van de afgestorven ratio moesten gaan bestoken, wilden ze ooit nog weten wat ze aan elkaar hadden, of en hoe wederzijds vertrouwen mogelijk was, wat de ander (en zij zelf) deden als het er opmaak zou komen. Terugtrekken of in de bres springen, dat was de vraag. Maar het meest emotioneel werd hij bij de gedachte dat het zo moeilijk was om hun iets mee te geven, zodat ze opgeleid en wel de wereld in konden kijken, zoals ook hijzelf zonder angst de wereld inkeek, en weldra zelfs zonder angst de wereld uit zou kijken.

Sommigen zeggen dat we dichtgestopt zijn door kapitalisme of commercialisme, maar misschien leven we dichter bij een veel oudere culturele druk die tamelijk onontkoombaar, meeslepend en schadelijk is, dacht Howard. Het idee dat de oneindigheid verbonden was, kwam Howards geest binnen en er later weer uit. Op een avond was het idee gearriveerd van het digitale tijdperk, dat ons dwong om de draadloze energie uit het Tesla-tijdperk nogmaals te verliezen via de farce van de Möbiuslus en de oneindig vrij stromende informatie in het internet. Oneindige energie voor iedereen droeg een pleister tegen het bloeden. De pleister was het internet.

Tesla’s idee van de Möbiusband als werkbaar middel in de productie van textiel en motoren was een draadloos transmissiemodel voor stroom. Howards hypothese was nu, dat het niet-uitvinden van draadloze energie te maken had met het niet-uitvinden van wat we eigenlijk te zoeken hebben, hier in het universum.

Howard dacht dat onze onmöbieuze levens door de precieze manier waarop mensen media gebruikten en beleefden waren ingekleurd. In die dwaling zag Howard zijn onvermogen om in te zien welke bron van informatie nu weer het meest relevant ging zijn. Hij ging maar door met hetzelfde patroon, er kwam geen einde aan, totdat hij zelf die stap zette. Die stap zag hij in de tijd uitgezet, maar kon liep hij er zo tegenaan. Het ging erom zich te keren naar het onbereikbare, hetgeen we allemaal willen kennen, het bestaan waarvan Howard rationeel gezien zou ontkennen als zijnde datgene, wat hij niet kon kennen.

Howard leek onophoudelijke zijn focus op zichzelf als individu en niet als collectief te moeten richten. Dit laatste was voor hem niet simpelweg niet toegankelijk, en hij had de indruk dat dit voor de meesten zo was. Dit publiek moet zijn onophoudelijke focus op zichzelf als individueel en niet als collectief doelwit worden ontnomen. Mensen die zichzelf niet langer kunnen verliezen in een hoger doel ergens daarboven.

De wil tot oneindige energie en het idee dat het leven altijd perfect moet zijn – waar komt de gedachte vandaan? Van Tesla, het onderzoek dat in het geheim door de militaire financiers  – ‘degenen aan de knoppen’ – wordt verricht, de uitkomsten die daaruit zijn voortgevloeid die leiden tot gigaprojecten als HAARP in Unfairbanks, Akashka, waar de meeste mensen niets van weten. Die hebben niet onder ogen gekregen dat de EU daar al in 1995 kopzorgen over had en een door Scandinazische landen geleid onderzoek liet instellen. Over het feit dat die kopzorgen zich richtten op de gaten in de ozonlaag die middels het project waren gecreëerd en niet gedicht konden worden. Over de link met Tesla’s vrije energie als in de geladen atmosfeer aangestuurde elektriciteit; HAARP kon blijkens het document uit 1999 deze elektriciteit lokaal tot het miljoenvoudige opvoeren, en zo richting geven aan het klimaat.

In een leven vol domheden wist Howard tot op zekere hoogte niet hoe dom hij was geworden.

Het oneindigheidssymbool en de Möbius-strip zijn verwant op een manier die ervan uitgaat dat het leven altijd het domme idee van het goede leven moet zijn, het 24/7 leven. De fixatie op oneindige energie, verlenging van het leven, de beste educatie, de cultuur van de alom tegenwoordige uitvindingen van hun ouders (e.g. iPhones), zou echter nooit de hersenscherven aan concentratievaardigheden kunnen lijmen.

Natuurlijk bedoelde hij het niet zo zwaar. In zekere zin kon Howard niet alleen maar gewoon spelen als hij continu naar diepere lagen als de eeuwig terugkerende geschiedenis zocht. Of ook andere zogenaamde diepere dingen, als in: wetmatigheden. Inderdaad, als wetmatigheden dieper gelegen zijn, dan kon niets diepers liggen dan de meest simpele wetmatigheid die voor alles opging. Laten we gewoon het volgende wat de geest in zijn greep houdt bekijken: zijn speelgenoten waren natuurlijk eigenlijk medeschrijvers. En zij brachten hem op Logan Metz, die Howard nooit had ontmoet, maar die alle andere schrijvers wel hadden ontmoet. Blijkbaar speelt Logan nu met Willie Nelsons zoon en verzorgt hij het voorprogramma van Neil Young. Heeft het dus gemaakt. In het lied An Evening at The Cove zag Howard zijn eigen leven en zelf bezongen.

Het lied ging over hoe gezellig het is om tot 2 uur in de kroeg te blijven, maar Howard kon niet zolang onproductief zijn. Hij liep om 12 uur weer naar huis, zichzelf vermakend met het lied in zijn achterhoofd. Hij struikelde over een boomstronk en lag even languit op zijn rug van de sterren te genieten. Die nacht sliep hij eindelijk weer eens tevreden in.

Het personage naast Howard op Halloween zag er angstig uit toen hij opgewonden zijn neptanden overhandigde. Vervolgens komt hij Howard begroeten met een stevige handdruk. Veel zeggen kon Howard niet, overweldigd, verpletterd en vasthoudend aan te veel, en het was gemakkelijk voor hem om de grote EXIT dichterbij te zien komen. Howard liep weg zonder vooruit te komen, precies zoals hij vroeger in dromen niet kon wegkomen hoe hard hij ook liep. altijd van de brug stortte na een dame met kinderwagen te hebben gezien.

Later die avond was Howard op een internaat voor jongens. Er waren auto’s en hij reed met wat oudere jongens mee. Hij zorgde voor zijn jongere broer door hem in de auto te laten zitten met het meisje dat hij leuk vond. Jongens hielpen elkaar met iets in een kamer waar zogenaamd onderwijs aan de gang was. Een meisje was er ook bij. Er gebeurde iets dat hij zich niet meer kon herinneren en hij werd achtervolgd door een vrouw en een man, of misschien zat hij achter hen aan. De deur sloot en de man had een hol gezicht.

Howard werd wakker met een angstig gevoel. De volgende dag, na weer een dag lesgeven en e-mails schrijven aan de universiteit werd Howard naar huis gebracht door zijn favoriete collega Malitero. Ze hadden in de afgelopen jaren veel tijd met elkaar besteed en Howard keek enigszins tegen Malitero op. Malitero was eerder naar Chicane gekomen en had hem ook op dat pad gezet. Malitero deed echter nooit iets kwaads, hing soms wel eens de grapjas uit en schopte tegen wat leek het zere been van religie, maar had tegenover Howard met geen woord gerept over eventuele persoonlijke fouten die hij had begaan. Vlak voor het uitstappen, echter, toonde Malitero zijn ware verhouding met wetenschap.

De wetenschap bedenkt telkens weer nieuwe spelletjes om bij de grote geldgevers op de hangen, zei hij. Dat schoot in het verkeerde keelgat. Waren Malitero’s harde werken en vermeende ambities slechts gebaseerd op eigengewin, een mooie staat van dienst, een gegarandeerd comfortabele toekomst? En gaf hij Howard het advies hetzelfde te doen? Ging ware ambitie in dit land – en in Nerderland met mensen als Bartje, die weldra zou terugkeren – slechts gepaard met ondergang? Waren zoveel wetenschappers bang of misschien verdwaald geraakt en wilden ze daarom gewoon een spelletje spelen, een show weggeven, samen met de gemeenschap rondjes draaien, of was hier sprake van het diepere soort spelen, het spelen waarop Howard had gedoeld?

Of was hier eigenlijk geen verschil tussen te maken, en waren het één en dezelfde gedachten?

Nee, hier moest perk en paal gesteld worden. Hiervoor paste Howard, of dit paste niet bij hem. Dit kwam te dicht bij zijn ziel verkopen, zijn ziel die juist de sleutel tot het waarlijk spelen in zich droeg, en waar hij niet zonder kon.

Hij kon wel zien dat iedereen behoefte had aan Maslowische bestaanszekerheden, maar hier was het doembeeld van armoede zo ingeprent dat het mensen dwong niet langer naar binnen te kijken, en alleen naar het spelletje zelf. Hoe hij zich schaamde daar niet eerder bewust van geweest te zijn!

Hij had zich veel vaker geschaamd, opgelaten gevoeld, was veelvuldig in verlegenheid gebracht, had dit zo nu en dan als rode draad in zijn leven gezien. Als jongen was hij zo schuchter geweest dat hij zelfs op zijn 18e nog moeite had gehad om ‘normaal’ te doen. Hij had zich simpelweg altijd geschaamd en zich achter de wand geplakt waar mensen hem niet zagen. Daar wrong de schoen bij de wij-zij-politie die overal en nergens was, en zo was hij alsmaar beter geworden in het  wegwuiven van zijn schaamtegevoel als oninteressant. Het was nu tijd dat om te draaien, de schaamte voorbij te geraken.

Maar de schaamte zat veel te diep in hem verscholen, nog veel dieper dan normaal doen. Wat waarlijk en alleen normaal voelde was de gitzwarte onderlaag in zijn ziel die zowel zijn kopzorgen als de zwaarte in zijn hart te buiten ging. Op een ochtend had hij deze weer eens in zijn nietsontziende verwoesting onderkend. Depressie, noemde dokter Gerlagh het, maar hij wist wel beter. Menselijkheid, noemde hij het zelf. Elke noodzaak was voor de mensheid uit de ziel geboren. Met Herder kon Howard ook niet anders dan de noodzaak tot uitvinden van taal via uitspattingen van de ziel in gezang en rijm te aanvaarden. Een weldenkend mens, dat zijn hart controleerde, kon niets anders dan tergend gegorgel uit zijn luchtwegen hakkelen.

Het was misschien geen nationaal socialisme waarin hij leefde, het was misschien veel erger. Het was een compleet weghouden van alles wat menselijk was van de mens zelf, van hemzelf, waardoor hij onmenselijk werd. Het verschil tussen te boek staan als mens en zich mens voelen was als een zacht nachtkaarsje uitgegaan, was de te hoog gegrepen ambitie van ieder ‘mens’, was het enige waartoe de waanzinnige verkleiningen en vergrotingen uit zijn jeugdige gordijnvisoenen op gedoeld hadden.

Op zijn gordijn had hij in de schemering fantastische taferelen en gezichten ontwaard. In die geest moest hij ook de klein-groot visioenen, waarin kleine, geprojecteerde scènes ineens reusachtige proporties aannamen, en weer terug in hun voegen vielen, wat zijn ziel sterk had bewogen. Eigenlijk waren het uitingen van de ziel geweest die daardoor zichzelf had bewogen. Hij wist toen al dat hij verdraaide versies ervan pas 33 jaar later aan wolkig papier zou toevertrouwen.

Vervelend en verveeld
De dag van het wonderbaarlijke achter de herhaling die optreedt bij het horen of zien over de Tweede Wereldoorlog en de rol van Nerderland daarin. Voor eenieder die Howards werk politiek wou opvatten zou dat een insteek kunnen zijn. Speels verwees zijn werk naar het elke keer weer grappig vinden van iets wat eigenlijk oliedom ofwel 100 van de 100 keer voorspelbaar was, wist Howard. Helderziendheid had er weinig mee te maken, ook al besefte hij door de wezenloze herhaling beter wat het betekende om helderziend te zijn.

Had herhaalbaarheid in de wetenschappelijke methode, ook wel de vraag naar de controlegroep, misschien iets te maken met helderziendheid? vroeg hij zich af. Maar nee, een ervaring van helderziendheid was momentaan en wonderbaarlijk, en dus oncontroleerbaar. Toch baande de controleerbare rede zich ongevraagd een weg door zijn bruin bevlekt denken. Rede als zichzelf, als kracht of energie, was dan een gevoel of emotie, een onzegbaar, volks idee, dat veel diepere wortels had dan hij kon veronderstellen, en hij kon het kaf van het koren maar moeilijk scheiden. De rede was oppermachtig oppervlakkig maar kon wel aanbeden worden in zijn ongekende wonderbaarlijkheid, de wonderbaarlijkheid van de herhaling. Alleen het totale herhalen, waarbij leven niets anders dan herhaling beleven zou betekenen, vormde werkelijk gevaar.

Daarom had Hitler een punt gehad, dacht hij, omdat hij inzag dat de volksidee sterker is dan welk ander idee ook. Herder zag ook dat de volkse levenswijsheid ten onder was gegaan door het kwaad dat schuilging in de modernisering van de arbeidswereld, doordat de toekomst van het volkerenuniversum via natuurlijk gevormde zeeën, bergen en dalen, talen, en uiteindelijk was ingeroosterd door geldbejag.

Howard keek op zijn klokhorloge. Het was alwéér vier uur, net als gisteren om deze tijd. Gelukkig had hij de film Groundhog Day nooit gezien. Hij zette koffie uit gewoonte. Het equivalent van de totale herhaling was de gevangenis. Toch had hij regelmaat nodig. Het kopje was precies gevuld tot de rand, zoals hij het wilde, het apparaat had precies de hoeveelheid koffie aan de suiker toegevoegd die zijn gezondheid niet zou schaden. Het was droog en zonnig buiten, maar dat dacht hij niet zelf. Bij nader inzien had het koffiezetapparaat uit zichzelf koffie gezet. Er was koffie gezet. Voor hem. Hij was gezet. Herhaalbaar zette hij een voet voor de andere. Hij zou hieruit komen, naar de buurvrouw, die om de hoek woonde.

Howard kon de rede heel goed gebruiken om de ritueel ingestelde volksmens in hem weer nader toe te treden. Het had er sterk de schijn van dat hij de rede en het redeneren zelf gelijk stelde, wat direct gevaar opleverde voor het sacrale in zijn gevoelsleven als alles wat iets dieper reikte dan hersengolven met bètalengte tussen 12 en 33 Hz en andere wetenschappelijkheden, als alles wat onbekend en beangstigend was. Maar hij wist dat eigenlijk alleen het bekende hem nog bang kon maken, dat hij in een vol-ledig bekende wereld in kleine cirkeltjes zou ronddraaien, dat hij omgeven door totalitaire herhaalbaarheid nooit meer gewoon zou spelen.

Howard had sterk de neiging J.G. Herders Werke op het ontstaan van taal bij mensen na te slaan, om het onbekende te zoeken, maar besloot bij zichzelf te blijven. Zoveel ideeën er uit zijn pen stroomden, zoveel momenten van inzicht er later wellicht van overbleven. Spaarzaam, Calvinistisch, doelmatig, het goed hebben bedoeld. Dieren hadden ook een bedoeling, maar geen taal. Ze deden maar wat. Daarentegen deden mensen gewóón maar wat. Van buitenaardse invloeden op menselijke taalontwikkeling ging hij maar even niet uit. Uit zijn haastig gestopte omasokken baande zijn teen zich altijd een weg. Het moest nauwgezetter, strakker, professioneler.

Uitroepen van vreugde, onlust, misverstand, alarm, trek waren te lokaal geweest, het ging juist om het reizen en een groter gebied bestrijken, nomadenlevens die handig wilden zijn door een wetje te bezigen: er was één taal die algemeen werd gesproken. Hoe kleiner je het kan bedenken, hoe beter. Een boer ziet zijn trekkar vol suikerbieten leeggeplunderd maar de harde hand van de wet, de politie, treedt op. Hoe? Toch zeker met een waarschuwing die niet zomaar lokaal of te vertrouwd kan zijn. Of die angst op de achtergrond heeft een nieuw ontworpen zinsnede door een geniale heraut of handelsman die de acteur met charisma kan bedienen van meer macht. Taal was een onderdrukkend, maar ook inventief systeem, dat oneindig veel varianten kende, maar lokaal gezien slechts een meerheid van tussen de drie en acht. Eén daarvan werd gekozen als meest overtuigende. Waarom, was de vraag. Toch kunstzinnigheid, zoals bij de Nazis oorsprong, zwarte magie, en zich machinaal heruitvinden hoekig maar effectief uitdrukking vonden?

Een waarschuwing in de lokale uitroep taal uitgedrukt, gecombineerd met wat buiten het spectrum liggend, geweldig gegorgel, dat rap aangemerkt zou worden als zijnde doordacht en om rekening mee te houden. Die rekening werd dan snel door adjuncten getekend of opgepend, tekens die zich als bij toverslag aan uitroepen van buiten het spectrum hechten zouden. Die dan in de verhalen te boek stonden als zijnde van een hogere orde en belangrijk om te proberen te ontcijferen. Konden wij ook aan die orde tippen, we zouden er met zijn allen op vooruit gaan. Toch maar doen dan?

Hij was in de openbare bibliotheek aan de rand van de stad beland. Waarschijnlijk had hij zich dat voorgenomen. Howard sloeg Herder toch maar even na op de oorsprong van taal. Herders verhaal ging uiteindelijk over het vermogen tot reflecteren dat mensen van dieren onderscheidt. Hij geeft het voorbeeld van hoe een mens een schaap hoort blaten: hij kopieert het geluid in zichzelf, vormt daardoor een teken, dat hij vervolgens kan interpreteren als referentie aan schaap. Het schaap hoort zichzelf blaten en voelt zich daardoor in zijn ziel bevestigd, maar de mens heeft dus die neiging tot het omvormen van zo’n gekopieerd, symbolisch geluid in een abstract teken.

Doorslaggevend was het geblaat, als werkwoord. Nog voordat het schaap zelf bestond, was er een reflectieve symboliek voor wat het deed. Daaruit maakte het menselijk gevoel voor taal op dat het object schaap als subject dit geluid voortbracht. Al vaker had Howard gelezen dat het menselijk gevoel ergens onderdeel van uit te maken, ergens bij te horen, van volkse geaardheid, saamhorigheid door geluid was bepaald. Voor doven zou het bepaald niet makkelijk zijn om aan dit gevoel te refereren. In de liederen en voordrachten der kerken en hun modernere uitwas – voetbalstadions – werd dit gevoel van oudsher gevonden.

1 In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; 5 en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. (Johannes, 1:1-5)

Voor doven was het dus onmogelijk dit bepaalde licht te ervaren. Onwenselijk onmenselijk, vond Howard. Maar wel meer mensen hadden iets wat hen minder of meer menselijk maakte. Bij Howard was het steekje los aardig snel opgemerkt als ‘vreemd’ in plaats van ‘regulier’, zoals zijn ex-vrouw Hondsypocky altijd fijntjes had weten te onderscheiden, en als ‘op het autisme spectrum’ liggend. Hij had dit aan den lijve ondervonden en dan vaak gepoogd te denken dat hij iets bijzonders of eigenaardigs had en anders was dan andere kinderen. Maar dat was hij helemaal niet. Hij had alleen de neiging dommer, vervelender en tegelijk grondiger onderzoek te verrichten en het wonderbaarlijke achter ieder zelfde nieuwe begin na te gaan. Andere, normalere kinderen krijgen te horen dat ze maar beter dat eigenaardige niet kunnen hebben.

Het eigenaardige is alleen maar lastig, in school bijvoorbeeld zou hij telkens domme vragen stellen die de leraar op het verkeerde been zetten waardoor hij geen aanbeveling schreef voor een goede vervolgschool. Op school die morgen kreeg Howard voor de tienduizendste keer de vraag hoe lang hij was. 6 5, zei hij dan altijd, om er vanaf te zijn. De leerling had geen benul dat hij de tienduizendste was, noch dat ‘How tall you is?’ incorrect Angels was.

Dat hij gek was merkte hij pas goed bij het teruglezen van zijn tekst. Al meteen bleek dan hoe veel pijn het doet jezelf aan je eigen werk te onderwerpen. Doe het pas later, zei hij soms tegen zichzelf, als je eigenlijk al klaar bent. Maar waarom zo’n vreemd regime handhaven, dat zou toch geen rol moeten spelen als wat geschreven moet worden zich natuurlijk een weg baant? Howard was weer eens het slachtoffer geworden van zijn eigen vernauwend cultureel paradigma. Met een slag sloot hij zijn laptop. Toen opende hij het weer en vouwde het de verkeerde kant op. Het brak door en hij scheurde het in twee. Alles stond toch in de wolken. Om grappig te doen paaide hij de barman de laptop te kopen voor twee keer zoveel als hij waard was. Zijn huis was om de hoek. De regen waaide horizontaal, recht zijn gezicht in.

Misschien hield dat cultureel paradigma inderdaad meer in dan hij normaal voor mogelijk zou houden. Maar in The Order Of Things van Michel Foucault las hij dat de mens in zijn huidige toestand niet meer dan 250 jaar oud kan zijn, …gedisciplineerd en wel… . Kon dan de weg in worden geslagen richting een open en samen-met-de-lezer gepoogde werkelijkheid, die anders onderschat zou worden en waar hij dus plaats aan zou willen geven in zijn leven? Zo’n gewijzigd paradigma, gesteld dat het enkel en alleen opereert, leidde Howard naar het Gewoon Spelen idee: in de herhaling die alles wat spel is aanbiedt, ligt een toetssteen waarop gedurende het leven allerlei nieuwe ervaringen worden gebaseerd, precies zoals gewone, alledaagse taal, door Herder ook wel het orgaan van het denken werd genoemd.

Thuis aangekomen ontweek Howard de verveling door het relaas van Daan Rutten, coördinator van het Open Science program, over de ernst van het spel door te nemen: de polymorfe bestaansconditie van de mens maakte dat hij altijd meer van de wereld verlangde dan de wereld kon geven – hij had een rad van fortuin in het achterhoofd, hetgeen vooral verhinderde dat hij werkelijk vervuld was – hij was een allesbehalve schokvrij opgehangen kompas. Zo gek hoefde Howard niet te zijn om voor gek door te gaan: in de figuur van de waanzinnige kon hij zijn speels verlangen herkennen, dat onbehagen ervaarde bij al het bestaande. Onbetamelijk was deze speelsheid. Hij moest haar wegstoppen in de perifere van de symbolische orde: het gekkenhuis of het kunstenaarsatelier.

In het idee van Gewoon Spelen als leidraad voor het naar waarheid zoekende in de mens, zag Howard zijn eerste levensjaren als kind weerspiegeld. Hij probeerde alles 600x keer uit en pas de 601e keer besloot hij dat het gewoon zo was. Die verwondering in bijvoorbeeld het terug stuiteren van een bal of dat er ook een mier rondloopt, dat zijn hengel een vis op kon halen, dat de zon en de volle maan werkelijk onbegrijpelijk en dus ongrijpbaar bleven. De manier waarop een speelgoedautootje de bocht omging langs het tuinhekje bij de buren. Dat hij 100.000x achtereen kon doen omdat hij geen drone had die hem ruimer had doen denken. En dat hij geen idee had van de derde dimensie die een drone vanzelfsprekend doet lijken voor de jeugd een generatie later. Als voorbeeld slechts, want deze derde dimensie moest natuurlijk onzichtbaar blijven voor het kind dat hij was, dat simpelweg gewoon speelde. Toch stonden de remsporen in de tegels zeer bepaald. En met een derde dimensie erbij zouden de sporen zich weliswaar anders, maar toch op een vergelijkbare manier zeer bepaald hebben geuit. De sporen uit zijn jeugd hadden zich als groeven in zijn gedachten gebeiteld. Precies die kromming, die verhouding tot de stenen tegels. Telkens weer.

Als kind leerde hij alles via herhaling. Een bal schoot hij 10.000 keer tegen de muur voordat hij zonder veel moeite de juiste plaats op de muur raakte, zodat de bal precies in zijn voeten terug kaatste. Hij tekende 5.000 vrachtwagens, allemaal met dezelfde kubieke cabine, hij stapelde blokken tot hij precies zag waardoor hoge torens omvielen. Hij oefende met het tekenen van rondjes. Als kind probeerde hij iedere vaardigheid onder de knie te krijgen door te oefenen, door te herhalen. Maar hij noemde het geen vaardigheden. Het heette gewoon spelen. Alleen was het pure ernst, gespeeld tegen de achtergrond van traumatische angst.

Daarbij blijft toch voor de meesten een werkelijk teruggaan naar die tijd, een herbeleving, een steeds moeilijkere, dacht Howard. De precieze herinnering is repetitief saai en angstaanjagend niet-saai tegelijkertijd en de meeste tijd buiten bereik. En binnen bereik is zij niet saai maar opeens van gedaante veranderd, een stukje puurheid dat vervliegt zodra de volgende gedachte zich opdringt.

Howard wandelde tijdens zijn middagpauze door het dorp waar hij woonde, en kwam hij bij een struikgewas. Erachter hoorde hij iets groots bewegen. Langzaam kwam hij dichterbij om het niet te laten schrikken, en hij realiseerde zich dat het geluid hem bang maakte. Hij wist niet waarom het hem bang maakte. Om de een of andere reden was hij altijd kalm als hij bang was. Alsof hij volledig ontspannen en zeer opgewonden tegelijkertijd kon zijn. Het geluid deed hem denken aan een stier die zich rusteloos achter bomen beweegt. Maar die had hij gezien. Hij had dat vier jaar eerder ervaren tijdens het kamperen buiten het dorp. Toen was het te donker geweest om te zien. Achteraf bleek het een bruine beer te zijn geweest. Hij was heel rustig weggerend.

Niet wegkijken
Iets waar hij eerder van gedroomd had, vond nu plaats. Als een droom deja vu. Zijn 20-jarige dochter Stulpje vroeg hem of hij moe was van haar vraag, die nu tot uiting kwam in het idee om gebeten te worden door een schorpioen en er vervolgens uit te zien als een schedel. Hoe zou hij zich voelen als hij eruit zag als doodshoofd met twee gekruiste botten? Hij antwoordde, ervan ervan overtuigd dat een leraar een beter persoon van iedereen maakt, dat de dood een anomalie was – alsof het geen deel uitmaakte van onze sequencing. Hij berekende dagen, tijden gaan voorbij zonder dat hij het merkte, en hij voelde de erkenning van waar de mensheid of het christendom voor stond. Maar echt?

Terugkijkend op wat er zal verdwijnen, wens ik oprecht meer van hetzelfde gevoel van existentiële saamhorigheid als ik nu voel, dacht Howard later nog, het enige wat we zouden moeten schrijven is in de richting van such like gevoelens.

Howard gebruikte ‘such like’ omdat één van zijn studenten A-meer-ik-aans Angels, die de verheven poging had gedaan A-meer-ik-anen meer dutchified te maken, door ‘such like’ links en rechts te gebruiken en te weigeren het op te geven. Rebelliousness. Voor Nerderlanders is ‘such like’ een handige uitdrukking, maar het is niet in overeenstemming met de standaard Angels-A-meer-ik-aanse grammatica. Zou dat wel moeten? Hij vroeg het zich af.

Howard wilde eerst en vooral dieper ingaan op Johann Gottfried Herders kijk op spel en opvoeding als spel, zonder dat hij dat al eerder in zijn carrière had erkend, maar zag toen dat Stulpje al half in slaap was gevallen. Hij besloot Herder als romancier voor te doen die schreef over een hoofdpersoon die butler was in een restaurant. Zijn bleke gelaat deed denken aan een middeleeuwse kunstenaar die leefde van wat vrienden hem gaven. Uiterlijk gestorven bleek juist alleen hij nog in leven. Hij vervolgde de uitleg aan zijn dochter, die iets minder slaperig van haar thee dronk.

Het is de vraag of we de dood wel serieus mogen nemen, schat: we kunnen hem immers niet waarnemen. We kunnen wél waarnemen dat we het leven niet meer kunnen waarnemen en dat de dood dus een annihilatie van waarneming veroorzaakt. Meer dan dit kunnen we – daar we niets waarnemen – niet over de dood zeggen.

Maar, begrijp je wel, dochter, ergens klopt hier iets niet, afgezien van het hart dan, als je bedenkt dat je iets dat is vergaan helemaal niet kunt waarnemen, en dus geen vergelijking kan maken van voor en na het vergaan. Maar dat is nu juist de crux. Als we een object zien, zien we niet, dat we zijn omgeving niet zien, om het object zelf wél te kunnen zien. Toch moeten we zijn omgeving niet zien, om het object zelf wel te zien…

Een leeg kopje thee stond op tafel en Stulpje was zonder meer naar de tv-kelder vertrokken. Hij had ongemerkt zijn ogen gesloten tijdens zijn uiteenzetting. Wanstaltig was hij, een niet-grappig figuur uit een nooit uitgebrachte strip. Razend wierp hij het lege kopje tegen het raam. De ruit viel in diggelen en het kopje belandde buiten, in volle vaart, op het middenrif van de postbode die juist kwam aanlopen. Dat zou hem duur komen te staan. Snel schreef hij een cheque van 50.000 dollar uit. Voorlopig wel genoeg. Bijkomend voordeel was dat alle glasscherven buiten lagen. Hij belde de glaszetter, die hem inmiddels kende: het was al vijf keer eerder gebeurd.

Bij nader inzien was het kopje terug gestuiterd en precies weer op het schoteltje beland. Ook was er geen postbode. De telefoon ging. De glaszetter wilde weten of hij wel echt moest komen. Hij kende hem inderdaad. Langzaam zette hij zich achter zijn laptop. De rest van het verhaal hing nog ergens in zijn achterhoofd. Het moest eruit.

…We nemen dus niet waar waar we niet zien, terwijl het niet-waargenomene wel degelijk onderdeel uitmaakt van onze waarneming, omdat we anders het waargenomene niet hadden waargenomen. Deze paradox kunnen we op alle verschillen toepassen, maar niet op het verschil leven/dood. Dit is namelijk geen verschil.

Als iets levend is, zien we de dood van dit leven niet. Toch is deze dood er wel, in de vroege of late toekomst. Omdat er niets waar te nemen valt, precies zoals bij de omgeving van het object, moeten we de dood niet-waarnemen. Het lijfelijke, dat eens leven had, ligt begraven en ook verder is er niets meer waar te nemen. Zo lijkt. Want je kunt bij een medium te rade gaan. En menigeen ervaart wel degelijk bezoekjes van overledenen – denk aan sterke dromen, stroomuitval, weersomslag, etc. Wetenschappelijk mag hier niet bij stil worden gestaan, anders kan de conclusie niet langer zijn dat we niet weten wat het leven of het zijn dan wel is. Daar moet en zal te aller tijde heel moeilijk over moeten worden gedaan. We mogen ons vanuit de logische wetenschap niet met het verschil tussen leven of dood bezig houden.

Zijn dochter legde haar handen op zijn schouders. Truste pap, zei ze. Truste, zei hij. Uit haar oordopje klonk zachtjes de schelle stem van een van haar vriendjes. Niet van dromen, hè, dat raam. Nee joh, ik ken je toch. Ze liep snel door zodat ze verder kon met haar gesprek over waarschijnlijk iets onzinnigs. Hij vervolgde zijn verhaal.

Indachtig Gerard Reve kon hij zeggen dat hij de grens tussen dood en leven voelde naderen en daardoor meer waardering voor het leven kreeg. Hij voelde zich sterker tot datgene aangetrokken wat hij binnenkort niet meer kon waarnemen, omdat het verdween. Echter, omdat hij niets over de dood mocht weten, zag alleen dat het uiterlijk van leven verandert en mogen de paradox van wel en niet waarnemen niet verder onderzoeken.

Natuurlijk zag Howard een verandering als iemand stierf: voor het sterven leefde, ademde, bewoog hij nog, daarna niet meer. Maar juist omdat hij het daarna alleen kon ontkennen, stopte Howard zijn onderzoek. Van de paradox van het waarnemen doordat hij iets anders niet waarnam was bij leven/dood geen sprake, omdat de dood hoe dan ook niet waarneembaar mocht zijn.

De volgende ochtend voelde hij het loden juk om zijn schouders van te moeten knokken tegen zijn broeders in de logica der wetenschap. Maar er zat niets anders op. Hij haalde een Venti espresso om de hoek en gleed met zijn sleighboard de inmiddels met ijs geplaveide stoeptegels richting binnenstad. Hij gaf op na 200 meter en stapte in zijn Uber. Misschien kon hij wat tientjes verdienen door rond te rijden voor de losers die bij hem instapten. Vijf minuten later stapte een dame zijn Uber in. Het ging echt weer nergens over.

De inspirerende mens
Howard leidde zich af door duizend keer in zijn hoofd het zinnetje ‘en de zon ging schijnen over het niemandsdal dat niemand kende’ op te zeggen.Vanuit de herhaling begon hij te luisteren naar de beschrijvende woorden die in zijn geest vielen door elk nieuw gezicht in zijn Uber te observeren. Zijn achteruitkijkspiegel zat omhoog gedraaid, waardoor slechts een silhouet zichtbaar was. Iets ogenschijnlijk triviaals kon zo belangrijk worden als hij er een uitgebreid observatiesysteem op losliet. Menselijke gezichten herkennen als uitingen van bepaalde sentimenten zonder dat hun gezichten te zien waren. Hij moest raden. Even later ook het verschil in expressie dat twee ogen op één gezicht kunnen hebben! Met de ander in oogcontact staan markeerde hun beider eigen uitdrukking. Eerst met het ene oog, dan vergelijken met het andere oog. En dan de saamhorigheid van beiden. Howard las hierover in filosofe Marion Heinz’ werk Sensualistischer Idealismus over Herders werk, dat hij die avond tot zich had genomen.

De volgende morgen sprongen 25 zwarte leerlingen weer bruisend van de energie het klaslokaal rond. Howard had moeite hen te kalmeren. Take a seat, guys, probeerde hij. Hij wist dat schreeuwen noodzakelijk was. Twee jongens lagen op de grond te vechten. You’re just playing, right? vroeg Howard. Yeah, zeiden ze. De jongens speelden gewoon, maar het leidde toch altijd tot een waar vuistgevecht, waarbij ze meer en meer elkaars grenzen opzochten. Machtig om te zien, maar Howard was daar niet voor op deze school.

De jongens stonden weer op. Het was hen menens en ze moesten naar de receptie. Howard kon niet met hen praten want hij kende ze niet. Wel bij naam, niet bij familie. Hij kon hun ogen niet lezen. Het ontbrak hem aan een gevoel echt te kunnen geven, aan een overtuiging iets te kunnen geven. Hij zat zijn tijd uit, bijna als een boetedoening voor het leed aangedaan door zijn blanke metgezellen, het duwen, het schoppen, het spugen, het niet toelaten, gewoon, omdat ze wisten dat ze de macht hadden. Het omgekeerde – zij het in veel minder ernstige vorm – gebeurde hier, vandaag. Wie was hij immers anders dan gewoon een iemand in een volk dat nog steeds behoefte had aan vergelding.

Wat ik spelen of speels vind, wist Howard, is wanneer alle mensen stoppen met denken. Erkenning van het verleden, wetende dat de dingen zoals ze nu zijn – misschien wel snel – weg zullen zijn. Dat je nu iets kunt doen en niet later ook nog. Of toch beter later.

Onafgebroken vasthoudend aan die drang naar gezond verstand. Op zoek naar abstractie in een verder helder beeld van wat je in gedachten hebt. Howard wou dat hij het vermogen had om iets van hogere kwaliteit te schrijven. Een kroegje om de hoek had Howard in zijn macht. Wisselingen in taal trokken een wissel op hem. Wanstaltig in zijn gedragingen ging hij op in een veelvraat van computerschermen, hopend iets de hemel in te schrijven. Dat soort toegiften hoefden wat Howard betreft niet. Je moest juist naakt en kaal schrijven.

Laat ik alsjeblieft niet doen alsof ik helemaal niet nadenk over goed en kwaad, maande Howard zichzelf.

Hij sloeg zichzelf nog maar eens op de borst. Zak. Het goede is onderliggend, het schone oppervlakkig. Hij dronk zijn bier in één teug leeg en schreef nog één pagina voor hij zijn weg naar huis vervolgde. Eigenlijk was hij op zoek naar een vertaling van allemaal oude niet-achterhaalde theorieën in een taal die een ieder aanspreekt. Zijn herinnering offline nemend, schreef hij over het lied dat dokter Gerlagh hem had geleerd. Zijn schrijven zocht naar pogingen om de wereld eenvoudiger te maken dan menigeen haar zich voorstelt, en om haar bijeen te brengen op manieren die we niet vaak lezen. Bij zijn geliefde Duistere schrijver uit de romantiek, Johann Gottfried Herder, trof hij een empirie aan die zich ondanks de cognitieve neiging van de wetenschap liet sturen door het menselijk sentiment. Bijvoorbeeld in de moraliteitsvraag als van wat goed of kwaad is.

Die dag kwam Howard tijdens het schrijven ineens op een gedachte om het basisidee verder uit te werken: de herhaling als spelelement vormt eigenlijk telkens een vergeten en dus nieuw begin. Het in herhaling vallende kind is natuurlijk niet dementerende, maar als het ouder wordt denkt de psychologiserende ouder nu sneller aan één van de vele mentale stoornissen. De sleutel lijkt het ontoelaatbaar invullen van gaten in wat mogelijk is. Je kunt energie bewegen van object naar object, een replicator kon simpelweg een hotdog met zuurkool uitprinten. Tesla wilde de directe stroom, waar Edison wisselstroom voorstelde – een persoon kon zelf middenin de Tesla-spoel zitten en – zolang zij niet geaard was – energie uit de lucht plukken. Wat betekende ‘geaard zijn’ in deze zin?

Dat kon niet anders dan een teruggang naar bittere, ontedere, koude, gefrustreerde en angstige gevoelens betekenen. Die geaardheid weg te halen zonder gek te worden, daar draaide het om. Je kon iets schrijven, of je kon niets schrijven, maar geen haan die ernaar kraaide. Geheid ging de geaardheid om een uitstappen uit de kombuis, de Faraday kooi. Kon hij er maar meer over zeggen. Het was te simpel om er veel woorden aan te wijten.

Die onderlaag weg te nemen ging niet zonder slag of stoot. Het was wel mogelijk, maar ook niet. Aan de ene kant kon je net doen alsof de laag er niet was en van ervaring tot ervaring levend, het tussengelegen, braakliggende land ontkennend. Aan de andere kant kon je aan letterlijk een binnenweg denken – een weg gekozen om zichzelf bewust telkens de cirkel in te sturen. Bewust, omdat die cirkel, dat rondje, het enige was wat je kende – met Kundera de ‘splendid isolation’, het hermetische kunstwerk. En waarom groter denken? Voortdurend een spiegel voorhouden en kijken wie er in keek. Jezelf laten gaan in het volste vertrouwen dezelfde denkpatronen aan te treffen, omdat deze bestaan als terugkerend in de taal. In de taal die je bent, waar je onderdeel uitmaakt, en die je later toch weer besteelt van zijn waarde.

Hij dacht het allemaal te weten. Toch was Howard nog het meest dankbaar voor zijn onwetendheid. Als kinderlijk eenvoudige ziel het spel te kennen en niets anders, niet de regels, geen andere vormen van spel en zeker geen niet-spel. Hij was dankbaar dat hij uit zijn quasi-filosofisch anti-leven mocht stappen en dom kon zijn. – Allemaal gedachten waartoe Howard zich had aangezet om nog een laatste keer onder woorden te brengen. Om nog één keer een poging te wagen een ieder te laten zien dat hij wel degelijk (n)iets had om over na te denken.

Waar denk je aan? vroeg zijn Amselutina, die binnenkort zijn tweede vrouw zou zijn.
(N)iets, zei Howard, erop rekenend dat ze de haakjes niet zou horen.

De vraag wie Howard zelf was lag verscholen in zulke zuivere herinnering, de vleesgeworden groef, van onder de steen gehaald. Dat was waarheid der vertedering, en wat hij schreef kon de lezer ernaartoe leiden, een opening geven, de beslissende assist. Maar eigenlijk was hij zelf naar deze waarheidsvisioenen onderweg en deelde met zijn lezer hooguit een momentaan uitstapje uit de permanente duizeling des levens.

In waarheid kon hij de saaiheid in het gedegen onderzoek afdoen als kinderspel – want het was de eerste aanraking met spel dat het visioen op gang bracht. Het ene kind doet zulk onderzoek, afhankelijk van omstandigheden en geluk, grondiger dan het andere. Het ene gaat beleidsmatiger een sterkere bezonnenheid tegemoet in de ontdekking van het eigen vernuft als aangeboren kracht, dan het andere.

Toonaangevend onderzoek naar de onderzoeker in het kind kon wellicht zijn jeugdvriend Mowie verder dienen. Mowie was een persoon die het met de missie van de aarde als object dat gewoon maar ergens heen vloog heel goed kon vinden. Beter nog dan menigeen hem had toegedicht. Op verhalend vlak bereikte Howard zo een verdere uiteenzetting met zichzelf als figuur in de romanwereld.

Mowie was zijn denkbeeldige guru geworden toen hij maandenlang met een rugzak door de wereld trok en wiens aanwezigheid hij tijdens het zwerven had ontdekt en uitbundig verwelkomd. Door Mowie verkende hij verder de onuitputtelijke achtergrond dieper dan hij zelf had gekund. Eenzelfde proces treedt op door als schrijver opeens de lege pagina zelf als degene die hem leert te schrijven. Als je daarin gelooft, dan zit je dus nooit zonder je leraar bij je. Als je tenminste 20 minuten wilt besteden aan het staren naar de lege pagina. Op een soortgelijke manier, had Howard ontdekt, kon hij  zijn goeroe op lange reizen in nieuwe gedaantes herkennen.

Licentie

Howard Buut Zijn Volk Vrij Copyright © 2020 by Peter Blank. Alle Rechten Voorbehouden.

Deel dit Boek

Feedback/Errata

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.