De Taal Der Interpretatie

Howard de Film-Ster

Howards eigen waarheid was vaak onflatteus maar hoefde het misschien niet te zijn. Of rebels en tegendraads maar kon ook gewoon mooi zijn. Zoals bij het gewone spelen, het uitpluizen, het combineren, het onderzoek doen als kind en naar het kind, gedreven door nieuwsgierigheid, creativiteit, levenswensen, aanhoudendheid, en met de herhaling en daarmee het nog-niet-afsluiten, het spel te definiëren als een in zich naar boven brengen van de eeuwige afleiding, het eeuwige zoeken naar zijn telefoon, naar informatie op het internet, naar communicatie, naar zichzelf als zijn ware zelf in de ogen van een ander, naar een klankbord. Het rebelse is misschien grootstedelijk, dacht Howard. Chicane kids kennen geen blaaspijltjes, mogen niet gewoon spelen, worden overal op gewelddadigheid gecontroleerd, worden achterdochtig aangekeken, krijgen met geweld benadrukt dat niets mag, dat de stad geen farmhouse is.

En hij was natuurlijk ook geen kind meer. Hij was ouder. Of beter, volwassen. Het was zijn trouwe kennis Freddie, die hem op zijn Nerderlands een hart onder de riem stak. Gewoon door zichzelf te zijn. Want dat mocht gewoon. Het was opzienbarend. Freddie legde op het videoscherm uit hoe hij de wereld zag. Hij was geen onbenul maar had er toch de schijn van geplaagd te zijn door anderen en zichzelf. Howard hielp Freddie met zijn Angelse taal en zo hielpen ze elkaar. Via Freddie leerde Howard zichzelf handiger weg te cijferen in het dagelijks leven, buiten intiem lezen en schrijven om leek dat nu minder moeilijk dan aanvankelijk gedacht.

Punt van inzicht was dat elk uniek moment, zo dacht Freddie, niet andermaal komt. Het was hier eenmalig en het was weg voor je het doorhad. Maar zag je het visioen daarin? Eigenlijk was het moment van waarheid ER helemaal niet want als je dichterbij kwam bij dat moment werd het steeds verder weg, verscheen dan vervaagd en vergeeld in een niet-bestaand verleden, als pijnlijke abstractie. Als in: gisteren waren mijn problemen zo groot nog niet en dat is pas echt waar. Het moment zelf was ER eigenlijk niet, kon dus ook niet waar zijn, en gaf de indruk van een voortdurend lijden.

Waar was Howard bijvoorbeeld tijdens deze gedachten? Hij keek uit zijn voorruit en zag een wasbeerpaartje. Het mannetje was net daarvoor aangereden en lag er voor pampus bij, terwijl het vrouwtje weifelend naar hem toe en van hem af bewoog, onzeker of hij nog zou opstaan. Howards hart zakte door zijn maag. Zijn lichaam woog 2 ton en het stokte in zijn keel. Het moment van waarheid overmande hem met droefheid. Het moment zou voorbij zijn zodra het diepe medelijden af zou laten. Tijdens zijn volgende ritje vertelde hij zijn passagier, een zwarte vrouw, terloops over het voorval. Het was mooi om te delen en zij was duidelijk dankbaar voor de mogelijkheid invoelend te kunnen optreden, iets te voelen.

Door deze indruk besefte Howard ineens dat Freddie, hijzelf, en waarschijnlijk de mensheid buiten waarheidsmomenten om helemaal niet leefden. Iedereen was dood. Zo oud het leven op aarde was en kon worden, ouder dan dood werd het nooit. Doodgaan was dus de enige remedie tegen het tweeslachtig neerslachtig ouder worden. Het was een rationeel trucje dat de mensheid in staat stelde de status quo te verlengen. Maar kon of moest een volk wel dood willen zijn? Een andere vriend van Howard, Helios, schreef hem berichten over het samenbrengen van leven en dood, of eigenlijk, van liefde en lijden, van man en vrouw. Eénslachtig zou de mens er, als volk, beter voor staan.

Zijn hoofd was leeg. Was hij ook dood? Het was niet de bedoeling zichzelf onnodig een pak slaag te geven, maar evenmin wilde hij verbloemen wat diep tragisch was. Afgaande op Freddie leek het dus of doodgaan of –zijn het omgekeerde van tragisch was. Liefhebben en lijden was leven. Lijden was leven, niets voelen dood. Kon je lijden onder het niet-voelen? Dat je wel wilde leven maar niet langer kon? Dat bracht hem op het nachtelijk beleven en voelen.

Howards leidraad was voorheen het terugkijken naar wat eens geweest zal zijn. Bertolt Brechts relaas vergeleek die houding echter juist met levend dood zijn. Dood zijn diegenen die hun leven al achter zich hebben, terwijl het nog voor hen ligt. Daarom verweren zij zich er niet tegen. Slapen werd immers ook een voorstadium van dood zijn genoemd. Als hij dood was, was dromen misschien wanneer hij leefde, waarin hij veel waarheid aantrof. Howard voelde dat hij vaak gewoon een begin nodig had om verder te leven na een droom. Met het schrijven als het verdwijnen van zichzelf, was het alsof hij de golven van een oceaan was die de gereedschapsachtige emotie van het hikken door het leven wegspoelde. Emoties die niets te maken hadden met alledaagse emoties die normale strandgangers hadden.

De emoties in zijn dromen hadden veel meer weg van een diepgaand zelfonderzoek dat niet toestaat dat een ‘ik’ ertussen komt. Zulke momenten komen ook voor, zij het niet zo vaak als gehoopt. Howard vernam een verjaardag van een andere Howard (er waren er nogal wat) die er wat hem betreft van veraf gezien best gezapig uitzag. Dat was het dan ook: hij wilde niet alleen opschrijven wat iedereen eventueel zou willen lezen. Hij wilde juist opschrijven wat eventueel in het keelgat schoot dat nog niet open genoeg stond ter ontvanging van de o-zo-nodige zonden.

Hij besloot dat hij bijna dood was. Hij was dood als hij in boeken probeerde voort te leven, in 18e eeuwse schrijvers betere vrienden en kennissen vond dan in mensen met wie hij hier zijn kroeggesprekken hield. Het gebrek aan een waarlijk, werkelijk leven, dat weg voerde van het eeuwig haastig en in het voorbijgaan alles in zich opnemen. Het eeuwig vroegtijdig afscheid nemen, het altijd maar quasi-onverschillig accepteren van de onbeduidendheid van het leven zelf, het nergens op zijn plaats zijn, het altijd zichzelf ergens aantreffen waar hij het niet verwacht had – Herman Finkers had dat eens in een sketch verwerkt: Dag buurman, ik hier?’. Het eeuwig alles tot in het intellectuele overwegen, het eeuwige niet-leven, dat moest hij onder ogen komen. Dat betekende zichzelf te veronachtzamen en te doen waar Nerderlanders zo goed in zijn: het eeuwig uitwaaien. Het altijd maar zoeken naar het zware, slopende en juist daardoor opwekkende.

Met een ruk stond hij op van zijn bed en trok zijn kleren aan. Het was kwart voor tien ‘s avonds en het had de hele dag gesneeuwd. Om de hoek, wist hij, zat zijn kennis Millikando te schrijven aan zijn laatste boek. Hij zou ook schrijven, tot 12 uur en dan naar huis keren in de bittere kou. Hij zou zijn naam eer aandoen door er te zijn. Hij zou ongelukken en oververmoeidheid ontwijken, want de juiste keuzes hebben de juiste gevolgen voor iedereen die erbij betrokken was. Het juiste vertrouwen in de goede afloop zou alleen tot meer vertrouwen leiden. Dat vertrouwen zou zich als een lopend vuurtje verspreiden. De mens was altijd al tot meer in staat dan hij zich kon voorstellen. In Israël verbouwden ze groente en fruit midden in de Negevwoestijn.

In het kroegje aangekomen zat Millikando te schrijven. Howard zei gedag en zag meteen dat het schrijven Millikando in zijn greep had. Het leven had iedereen in zijn greep, maar dit kon goed en slecht zijn. Snel gaan zitten, dacht hij, voor het te laat was. Nee! Neem je tijd, het is niet te laat. Begin nou maar gewoon. Goddomme was hij toch weer in zijn tergende zieldwaling teruggekeerd! Nou ja, let nou maar gewoon op wat je schrijft en geniet van het hier-zijn. Denk aan de eenmaligheid, of denk aan niets. Denk niet goddomme. Maar het was te laat en Howard kon niet om het feit heen dat hij weer een verkeerd besluit had genomen. Hij was te moe om iets goeds te schrijven. Bier was de enige remedie. Nee! Sterk zijn. Hij schreef twee regels onzin en haalde toen toch een bier.

Deels zou zijn zoektocht naar het juiste boek gaan over het eindigende leven, deels over het beginnende. Daartussenin, zag Howard nu ook, lag niet zo bijzonder veel, misschien zelfs oneindig weinig. Je lijdt wat, speelt wat, klunst wat, keuvelt wat. Al met al een wachten op meer. Voor Howard was er echter geen houden aan. Er was slechts dat meer, een op en neer deinend, gonzend verweggistan dat hij zou binnenrijden. De oneindig golvende, of eindeloze A-meer-ik-aanse landschappen van de grote vlakten.

Zijn dochter had op haar derde eens beweerd te weten waar het feestje was van een klasgenootje, waar ze die zelfde middag voor was uitgenodigd. Hier links en dan zijn we er. Het is een heel lange weg, zei ze. Een speurneus voor nieuwe speeltuinen had ze goed ontwikkeld, maar aanvoelen waar iemands huis was kon ze nochtans niet.

Voor de nabije kroegbaas was deze avond een lust: Howard had nog wat tientjes te besteden en zelfs een kennis paraat om wat biertjes achterover te gooien. Het zou niet alleen een avond van beestachtig goede vriendschap zijn, het zou een nieuw begin voor de mensheid zelf zijn. Maar niets van dien aard had barman Alexander aan zien komen. Zijn avond was om half zeven begonnen, toen zijn vrouw Faradonna hem uit zijn tedere middagdutje deed ontwaken nadat de wekker, die overdag minder gemeen uit de hoek kwam dan ‘s ochtends, hierin had gefaald.

Je ziet aan iemands gezicht of hij moedertalig is of niet in de taal die hij uitslaat, als je tenminste zelf een moedertaler bent, dacht Howard, terwijl hij één voor één de gezichten van de lallende zuipers om hem heen bestudeerde. Met één gezicht had hij moeite. Hij liep ernaartoe en tuurde een tijdlang recht in de ogen. Het was een spel geworden. Hij moest winnen.

Laat me niet lachen, die gezichten hier. Ik krijg ze eronder, links of rechts, het zal me lukken ook al is dat niet eerder gebeurd. Ook al heb ik duizend keer verloren, deze keer zal ik ze overmeesteren, ook al weet ik dat dat niet gaat gebeuren. Ik ga weer verliezen en toch ga ik winnen. Dat is de aard van dit beestje: een onverbeten verliezende winnaar.

Opeens ziet Howard dat het gezicht bij Biondosso hoort, een zwarte schrijverskennis van hem. Hij schreef zoals het zich betaamd over de Yurugu hersenspoeling door witte Oeropeanen van de zwarte onderdrukte slavenbevolking. Biondosso kon zijn uitleg wel waarderen, voegde er zelfs aan toe dat mensen, en zeker van het andere ras, elkaar niet meer in de ogen durven te kijken.

De volgende ochtend vroeg ligt Howard uitgeteld op de bank en herinnert zich de droom van waaruit hij zojuist is ontwaakt.

Een man steekt één voor één kaarsen aan in een cirkel zonder de lucifer te verbranden; hij houdt de vlam boven aan de lucifer. Dan blaast hij de lucifer langzaam met de juiste kracht uit en houdt hem voor Howard op, waarschijnlijk om te laten zien hoe hij vanzelf weer vlam zou vatten. Maar dat deed het niet, en hij verdraaide de lucifer een beetje met zijn duim en wijsvinger, waar de vlam weer zou moeten oplichten. Toen dat eindelijk gebeurde, wordt Howard zich bewust van het dromen en heeft hij het inzicht dat slapen en dromen net zoiets zijn als in een vlam zitten, of in vlam staan.

Direct na het ontwaken bedacht Howard een bijbehorend stappenplan voor het slapen-dromen als in vlam staan:

  1. De drempel van wakker worden naar slapen voelt als een poging om een vuurtje te stoken. Deze drempel vormt het verschil tussen lucht (zuurstof/stikstof) en vlam (koolzuur/water). Deze drempel is in slaap vallen.
  2. De drempel van slapen naar diepe slaap is dromen. Deze drempel vormt het verschil tussen gedeeltelijk verbrande tot volledig verbrande deeltjes, wat het verschil is tussen geel-oranje en blauw.
  3. De geest lijkt zich van buiten de vlam naar binnen te bewegen, in slaap te vallen, door de vlam heen, dus van slaap naar diepe slaap en weer naar slaap, telkens dromend bij de drempels. Dan beweegt de geest zich weer uit de vlam, wat een ervaring is van het blussen van een vuur.
  4. De verbranding zorgt voor vruchtbare grond, maar hij  moet erop letten dat hij te snel tevreden is en de dag bij voorkeur langzaam en open begint.
  5. De grote vraag voor Howard is nu of de geest zich in en uit het vuur beweegt tijdens de wakkere tijd, ongeacht de werkelijke lichamelijke slaaptoestand (volledig bewusteloosheid, ogen dicht, liggend, zittend, staand) of dat de geest zich tijdens de wakkere tijd buiten het vuur bevindt en terugvalt in een dagdroom als herinnering.
  6. Is de parabolische vorm van de vlam waar de geest in en uit beweegt een constante, of wordt deze maximaal opgerekt tijdens slaap of juist tijdens wakker-zijn, of zit deze gewoon stil in de lucht, gevangen in zijn omgeving?
  7. Temperatuur lijkt een belangrijke analogie. Wat is het equivalent voor de geest van temperatuur voor het lichaam?
  8. Het lijkt erop dat in deze zin alle fysieke termen, zoals temperatuur, kracht, beweging, etc., niet kunnen worden waargenomen of bekend zijn voor de geest: ze zitten in een niet-waarneembare, andere dimensie.

Psychiaters en het brein
Die dag instrueerde Howard een tekst over dementie in English Language Arts. De tekst, Tamar door Mal Peet, die door de docent was opgegeven, stond op een vreemde manier erg dicht bij hem, alsof hij het zelf had geschreven. ‘He loved her. It was dead simple, the way he loved her. Seamless.’ Dat was precies zijn eigen stijl van schrijven! ‘It’s a very private thing, losing your mind.’ Een grootvader vecht om de wereld, vol met hem onbekende sociaal werkers, doktoren, politieagenten en psychiaters, op afstand te houden. Allemaal waren ze dommer dan hij, maar ze hadden wel meer macht. Hij werkte daarom extra hard, iedere dag, om de muur tussen hemzelf en de buitenwereld hoger te maken. Grootmoeder was praktisch en praatte met kleinzoon over wat er zou gebeuren mocht hij wegvallen. Kleinzoon beschreef hoe grootvader geen onaardige man was, maar ook zichzelf van binnen op enorme afstand hield, waardoor je minder makkelijk van hem kon houden. En toen las Howard de passage die hem van zijn stoel deed opstaan:

‘Er is een spel dat ik vroeger met mijn vrienden speelde. Een van ons moest denken aan iemand die we allemaal kenden, en de anderen moesten uitzoeken wie het was door vragen te stellen als: “Als deze persoon een muziekinstrument was, wat zou het dan zijn?” of “Als deze persoon een plaats was, wat zou het dan zijn?”. Vroeger dacht ik dat als opa een plek was, het een van die prachtige lege landschappen zou zijn die je soms in A-meer-ik-aanse films ziet: plat, een oneindige weg, een tumbleweed die door een kreunende wind wordt geblazen, een enorme lege lucht. En nadat opa verdween, trok hij zich nog verder terug in deze afgelegen plaats.’

Het was gewoon een bijzonder toeval. Het was te vergelijken met hoe Howard had ontdekt hoe hij een voetbal goed raakte: bij toeval, door te spelen. De afgelegen plek die de tekst beschreef, kende Howard heel goed. Die leegte had hij op meerdere manieren leren kennen, maar één stond hem nu het meest bij: in zijn eerste jaar in de VS reed hij mee in de auto van huisgenote Tamerinda om een winkelcentrum in Indiaan-A te bezoeken. Het was een nabijgelegen stadje, waar hij niet eerder was geweest. Er was een zekere snackbar die pindakaas milkshakes had en die waren beter dan waar dan ook ooit, aldus huisgenote. Ze keerden de hoek om en het winkelcentrum was op ongeveer 300 meter afstand. Howard knipperde even met de ogen: hij had het ultieme gevoel van leegte bereikt. Even dacht Howard op één en hetzelfde moment dat hij hier was en tegelijkertijd in een kopie van het winkelcentrum, maar in een andere stad. Totale onthutsing maakte zich van zijn gemoed meester, gevolgd door een psychose waar hij nooit meer helemaal uit zou komen. Het winkelcentrum voor hen was qua opbouw een exacte kopie van veel andere winkelcentra. Waarom dacht hij op hetzelfde moment twee keer ergens te zijn, afgewisseld met tegelijkertijd nergens te zijn, dood te zijn? De dubieuze verdubbeling in het dood zijn was in het bijzonder interessant, omdat in Howards vergelijkingen altijd verschillen ontstonden, die zelf het gevoel van dood opriepen: hij kon niet ergens twee keer zijn, dus hij moest er wel niet zijn!

Howard had dit gevoel naderhand nog vaak bestempeld als een gevoel van leegte, misschien zelfs het ultieme gevoel van of volledige leegte en bij tijd en wijle dicht in de buurt van de kern van dit vol-ledige gevoel te beschrijven. We gaan niet bij de pakken neerzitten, we willen dit gevoel van binnenuit kennen, alsof het ons de berg omhoog brengt. Althans dat dacht Howard op zulke momenten. We gaan bij tegenslag natuurlijk niet lafjes de andere kant opkijken. Dit zijn momenten die erom smeken bij de horens gevat te worden. Afkeer leidt tot neprust. Je moet tot inkeer willen komen. Alleen is de enige manier om niet weg te kijken, om te durven springen. En dan moet je een bepaalde techniek ontwikkelen tijdens je val – en dit voert misschien te ver – maar om jezelf ondanks de vaart en versnelling te kunnen blijven uiten.

Synapsen
Hij had deze ultieme leegte afgezet tegen het gevoel van onbeweeglijkheid uit zijn jeugd. Dat was het gevoel dat alleen optrad bij oververmoeidheid en hem op het idee had gebracht, zijn buitenzintuiglijke vermogens te ontwikkelen. Hij had de beschrijving eens in het boek Opwaaiende Zomerjurken van Oek de Jong aangetroffen. Het betrof in plaats van leegte een gevoel van volheid of volkomenheid. Zo vol, dat het vertrouwen inboezemde dat zich in het samenkomen van omstandigheden een eenheid verschool die voor alles zorgde, en die hem en anderen één liet zijn met deze eenheid. Het idee van de volkseenheid klonk daarin door.

In het boek zit een jongetje genaamd Edo bij zijn moeder achterop de fiets en voelt zich eindelijk volkomen in z’n element. Dat komt doordat hij de hele scene waarneemt: zijn moeder draagt een zomerjurk die tijdens het fietsen omhoog wappert. Naast haar fietst hun buurvrouw wier textiel eveneens wind vangt. Omdat de vrouwen erom lachen en de wind z’n gang laat gaan, voelen ze zich weer meisjes, geven zich over en verliezen de controle. Het zorgeloze moment maakt een enorme indruk op Edo, die zijn leven lang naar deze vrijheid zal streven. De combinatie van fietsen tegen de wind in, voeten op de pedalen en spaken in het zonlicht roept een krachtig beeld op.

Howard had vaak moeite gehad zorgeloosheid te ervaren en durfde meestal de teugels niet te laten vieren. Van buiten zag niemand het eraan af, maar van binnen, bijvoorbeeld bij het binnentreden van een groep van 30 wildvreemde en luide leerlingen, allemaal rond de zestien tot achttien, allemaal met hun eigen bagage, allemaal slechts in staat individueel te leren, maar dit niet als punt van kritiek, begroef hij wanhopig zijn gevoel in wanstaltige neprust. Altijd al gedaan. Niets aan te doen. Ook zeker niet proberen.

Eén verhaal dat hij die dag onderwees ging over de innerlijke ervaringswereld van een grootvader. Over hoe hij hield van raadsels, codes, breinbrekers en labyrinten, de herkomst van plaatsnamen, grammatica, Bargoens en grapjes. Zijn wereld was glad, veranderlijk en vloeibaar. Van binnen. Taal was iets waar je mee speelde. ‘Drawer’ en ‘reward’ waren dezelfde woorden gespiegeld. De beloning van een tekenaar is …? Het spelen zelf. Dat wilde Howard ook.

Een dag later ontwaakte Howard uit weer een droom. Dit na het ontdekken van Lloyd Pye’s verhaal over de Starchild Skull en zijn overtuigde kijk op panspermia, het idee dat aards leven elders dan op aarde zijn oorsprong kent. Niburu en Tiamat worden genoemd. Herder spreekt in zijn Abhandlung über den Ursprung der Sprache niet direct tegen dat taal van buiten de aarde is ingebracht. Wel vindt hij dat het geen zin heeft om als menselijk wezen de goddelijke origine proberen te ontdekken. Want in de menselijke wereld worden degenen die de regels kennen en opleggen vereerd. De leraar Duisters met het strakke overzicht over de grammaticaregels. Maar niets wees erop, vond Howard, dat de samenleving ook maar in het geringst interesse heeft in de goddelijke natuur van ons taalvermogen. Te midden van al het communiceren hield het volk vóór zich wat een ieder de pet toch al te boven ging.

Howard is in Beerlien, op vakantie, en hij voelt zich niet euforisch, maar wel in staat om de schoonheid van de stad te ervaren. Hij koopt wat voedsel, waarschijnlijk snoep en betaalt met honderd vreemde valuta, de verkoper kent hem via ESP, en ze genieten intuïtief van een diepe connectie, hij geeft Howard enkele munten en een biljet van 77 vreemde valuta terug. Howard woont ergens in de buurt, loopt de straat op en voelt zich veilig en gelukkig.

Hij koopt een soort slijpapparaat van een oude man. De man is er zelf niet, maar bij iemand anders. Dan blijkt hij ineens achter een half gesloten deur verscholen. Howard voelt zich onveilig omdat het lang duurt voordat hij hem in een gebouw vindt. Met zijn revolver schiet Howard op de deur waar de man achter zit uit angst dat hij zou kunnen aanvallen, maar het blijkt een aardige kerel.

Het apparaat is bruin en aan alle zijden voorzien van slijpbladen. Howard moet nog geld opnemen om voor het ding te betalen, dus gaat hij op zoek naar een geldautomaat, zonder veel geluk. Dan komt zijn voormalige baas hem op straat tegen en samen maken ze een wandeling door het park. Zijn oude baas is een beetje anders dan hij hem zich herinnert, meer op zijn gemak, misschien meer in oorlog en gericht, misschien. Hij vormt geen bedreiging tot Howard half wakker wordt en zich langzaam bewust wordt van dromen. Hij vergeet wat voor bedreiging zijn oude baas vormde.

Waar het heen ging met hem? Op een dag zou hij het weten. Het ging er volgens hem niet zozeer om altijd maar iets zinnigs te doen. Laten we de boel de boel, of tekenen we aan de wand een schildering van hoe het zou moeten zijn? Uiteindelijk was het toch zeker nog veel zinvoller om je eigen vertrouwen in het spel, en waar nodig in jezelf en in de mensheid te cultiveren. Maar vertrouwen in het spel was op zijn minst een op herhaling beruste nieuwsgierigheid, de nieuwsgierigheid van een kind.

Als kind was Howard met zure regen opgegroeid. Hij was er voor in de bres gesp rongen, had als activist veel medestanders ontmoet, had een goed gevoel gehad bij het überhaupt iets doen, bij het iets samen doen. Maar later, na zijn 50e, toen het activisme van het soort niet-verder-kijken-dan-gewoon-samen-iets-doen-om-de-wereld-te-verbeteren in hem minder werd, was hij ineens aan de andere kant van de zorg om het klimaat komen te staan. Dat de mens en niet de zon voor opwarming had gezorgd ging er niet in, en hij besefte hoe dun de ideologische standaard van het klaarstomen van het volk voor de volgende aflevering van het ‘met ons’ versus het ‘tegen ons’.

Howard weet zeker dat hij het niet begrijpt
Liberale, linkse democraten, bijvoorbeeld, las Howard in een artikel over de retoriek van de kinderachtige VN-activiste Greta Thunberg, interesseren zich voornamelijk voor de issues zorg/schadeberokkening (medeleven met het lijden en de kwetsbaarheid) en gelijkheid/bedrog (ervoor zorgen dat mensen krijgen wat ze verdienen). Iedereen die niet alleen deze twee maar ook de andere morele categorieën waardeert, is rechts en conservatief. Volgens directeur René Weber van het Media Neuroscience Lab van de Universiteit van Californië, Santa Barbara, bestaan er drie andere morele fundamenten: loyaliteit/betrouwbaarheid (in de gaten houden wie “wij” zijn en wie “zij” zijn), autoriteit/subversie (orde, traditie en hiërarchie) en heiligheid/vernietiging (het geloof dat bepaalde dingen verheven en zuiver zijn en niet mogen worden aangetast). Voor Howard kwam de discussie erop neer dat jongeren de eerste twee fundamenten belangrijker moeten vinden, terwijl ouderen juist conservatiever moeten zijn. Het ‘wij-zij’ gebeuren leek de gedachten van ouderen vanzelf tweeledig op te splitsen. Maar daar zou Howard een stokje voor steken. Hij leefde niet in een politieke wereld waarin alleen de moraal waar was. Niet in de eerste plaats, tenminste.

Waren de A-meer-ik-anen en Duisteren niet gewend aan een zeer rigide hiërarchie? Deden Hollanders niet net alsof bij hen iedereen gelijkvloers stond, terwijl ze structureel opkeken tegen de A-meer-ik-anen en Duisteren? Waren niet de Rossen van oudsher – op zee – de hiërarchielozen geweest en hadden ze zich slechts daarom tot anti-wereldmacht verheven? Howard had zijn Nerdse kijk eerst door Duisteren, toen door A-meer-ik-anen laten wegvagen, doordat hij ongekend strenge ongeschreven regels tegenkwam die hij niet of nauwelijks mocht benoemen. Had hij het acteren voor dit doeleinde opgepakt?

Je kunt ook op alle slakken zout leggen, vermaande Howard zichzelf, vergelijk jouw leven eens met dat van een Afrikaan of Aziaat en je weet wel beter dan je luxe leventje te bekritiseren! Duizenden Marokkanen proberen jaarlijks in het plaatsje Melilla over een driedubbel en tot op de tanden bewaakt hek op Spaans grondgebied te springen. Van die duizenden heeft een handjevol genoeg geld om de boot Salida (exit) naar Spanje te bereiken. Wat wrang eigenlijk dat de rijkste man ooit ieder jaar met de boot uit Spanje naar Nerderland komt. Aan politieke gelijkheid viel niet te tornen, wist Howard. Met meningen die ook andere dingen dan gelijkheid inpasten, had je het in een mum van tijd aan met een radicaal aan de stok.

En het was bij deze gedachte dat Howard ook een subtiele benadering van kind-zijn noodzakelijk achtte. Je kunt het kind onvolwassen noemen in zijn doordraven, in zijn onredelijk gezeur en huilbuien; met andere woorden, je kunt het kind als onvolwassen en radicaal opvatten. Als dit dan op een volwassene van toepassing was, was dit slecht voor deze volwassene. Je kon hem er direct of indirect op wijzen, je kon over hem roddelen, of je kon als moraalridder opstaan en algemeen de wereld over het kwalijke van kind-zijn onderwijzen. Dat alles had natuurlijk absoluut en geen enkele zin, in welke vorm dan ook. En nog minder naarmate deze vorm van kindheid noodzakelijk wordt geacht voor het nastreven van gelijkheid in de wereld.

De drang naar het anti-ethische of natuurlijke, en – als je zoals Howard van natuur of puur of zuiver hield – de aanbidding van de schoonheid die in de natuur schuilgaat, lag in de wereld van het niet-saai vinden van oneindige herhalingen om aan nieuwsgierigheid toe te geven, zich erdoor te laden overmeesteren, en dus niet langer de rationele ofwel zogenaamde vrije wil te willen bezigen. Precies in zulke dwangmatig herhalingen had Howard vaak een soort vrijheid ontdekt. En misschien was dit de vrijheid om zich door de diepste impulsen van het lijfelijk leven te laten leiden, om daar iets later, als de spijt en walging zijn onvermijdelijke intrede deden, onder te lijden.

Psychiaters weten het ook niet
Wat te denken van het schattige zusje in de droom en al die dagen dat Howard beeldschone jonge meisjes onderwees? Het zou te ver gaan zich een soort natuurlijke aantrekkingskracht of liefde voor tieners te permitteren, ofschoon de drang om geen taboes te doorbreken net zo natuurlijk kon zijn. Toen de altijd al controversiële Helios in de bres sprong voor pedofilie omdat hij zijn 20 jaar jongere vriendin aantrekkelijker vindt daar zij zich kinderlijk gedroeg, werd een doordachte houding ten aanzien van liefde voor kinderen noodzakelijk. In zijn woorden kan niet ontkend worden dat er mensen zijn die zich puur genetisch bepaald tot kinderen aangetrokken voelen.

Jeugdtrauma’s, afgestompt en afgepeigerd zijn, kunnen iemand vervolgens de pedo-richting uitsturen. En sommige mensen, zag ook Howard, neigden ertoe trans- en pedomensen op basis van dezelfde geboortegronden te accepteren. Beangstigend en een glijdend vlak, zei Helios, maar desalniettemin interessant. Howard wist niet wat er interessant aan was, maar hij zag wel in dat mensen van het padje af konden raken door de omstandigheden waarin ze zich bevonden.

Gesteld dat er mensen waren die als pedofiel geboren werden – hetgeen Howard net als bij de transgevalletjes betwijfelde – dan kwam het erop neer dat ze hun eigen passies zowel voor de gemeenschapsnorm als voor het in geestelijke gezondheid opgroeiende kind lieten gaan. Voorts was het belangrijk te onderkennen dat de meeste van zulke gevalletjes zichzelf afzijdig hielden en onbehandeld bleven. Dat was zeker ook niet goed omdat dit een volmaakte vervulling in de weg staat. Een open houding ten aanzien van deze en gerelateerde persoonlijke beknellingen kon als enige aan alle partijen iets bieden. Alleen openheid zou tot meer begrip kunnen leiden, en eigenlijk weinig anders, besloot Howard.

Strafmaatregelen, waar de doodstraf en TBS in een mentale inrichting voorbeelden vormden, waren steriele middelen ter controle van bepaalde individuen, en maar al te vaak waren zulke middelen door geld onzuiver gemaakt. In lijn met corruptie lag de ingreep zoals die door  politie of een militair apparaat werd voorgestaan. Uiteindelijk boden deze controlerende ‘doofpot’-diensten niets dan van buiten opgelegde geslotenheid, een belemmering tot verder inzicht. De heden veel gehanteerde harddrugs-plus-dwangtherapie aanpak, kortweg TBS, stond volgens Howard symbool voor zulke extern besloten strafmaatregelen, die de slachtoffers in de richting van de laagste variant van oneindig spelen bewogen. Dat soort van sabotage van de persoon kon als het negatief van het type Gewoon Spel dat Howard ambieerde worden gezien.

Licentie

Howard Buut Zijn Volk Vrij Copyright © 2020 by Peter Blank. Alle Rechten Voorbehouden.

Deel dit Boek

Feedback/Errata

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.