In Quarantaine

Howard de Kunstenaar

In de bergen vond Howard het fijn. Hij had de trein gepakt, was ergens uitgestapt en de eerste berg beklommen die hij zag. Het was sneeuwerig geworden maar dat deerde niet. Dokter Gerlagh had gezegd in de wolken in quarantaine te wonen, en waar anders kon dat dan op een hoge berg?

Wist hij maar waar hij was. Hij was halsoverkop vertrokken en had alleen een trui bij zich. Zijn broek moest gewassen en hij had nu geen wasmachine of zeep. Gelukkig had hij wel zijn mobieltje dat zichzelf oplaadde via 16G straling.

Hij toetste een paar codes in en toen zat hij weer in zijn vaste kroeg, de kroeg waar het schrijven begonnen was; hij had er toevallig dokter Gerlagh leren kennen, op een avond waarop hij de gezichten van mensen van dichtbij ging bekijken. Dokter Gerlagh had hem voor de grap met twee vingers in zijn ogen proberen te poken, en had hem per ongeluk vol in beide ogen geraakt. Daarop raakten ze in gesprek. Het was een kort gesprek en de eerste keer dat Howard een visitekaartje van iemand kreeg.

Het was niet de kroeg, het was het scherm, en hij deed alsof hij in de kroeg zat. Dat wist hij zelf ook nog wel, als hij weer eens opkeek uit zijn uren durende ramblings. Toch wist hij niet helemaal zeker of hij in de kroeg zat of niet. Hij leefde op het scherm, en in de bergen waren de wolken dichterbij dan ooit. Hij kon ze ruiken, de lucht was zo fris om hem heen. Dichter dan ooit zat hij ook aan zijn taal, zo boven de mensheid uittorend. Hij kon Nietzsches voetsporen ruiken.

Geregeld dronk hij water of helemaal niets. Uit een beekje dichtbij zijn tentenkamp. Het was geen kamp maar het klonk veiliger en zolang hij in de wolken zat merkte hij geen verschil. Nu had hij hoe dan ook iets met verschillen niet zien. Maar daarvoor was hij behandeld. Dokter Gerlagh was nu ver weg, maar hij herinnerde zich de lange gesprekken waar ze in verwikkeld zaten, waarin Dokter Gerlagh vaak over zichzelf had gesproken, meer dan hijzelf. Daardoor kon hij goed oppikken hoe hij zich in zijn conditie toch nog kon gedragen.

Hij had in feite dezelfde conditie als dokter Gerlagh, als bij toeval ontdekt en nooit eerder vastgesteld, bij welke patiënt in de wereld dan ook. Daarbij voelde hij zich speciaal, en dokter Gerlagh voelde zich ook speciaal. Of hij nog specialer, omdat hij de ontdekker was geweest. Maar ontdekken was geen in de wereld scheppen, want probeer maar eens een kind in de wereld te ontdekken. Dat ging niet. Iemand had het al gezien. De moeder bijvoorbeeld. De meeste moeders hadden zelf een kind in de wereld gezet en niet zomaar ontdekt. Dat kon niet.

Bij het zitten had hij langzaam last gekregen van zijn rug, dus was hij naar de buurtsuper gelopen en had een fauteuil met zetelverwarming gekocht, waarna hij er warmpjes bij zat. Hij kon zelfs de stoelzitting naar boven bewegen in het geval hij ongemerkt te diep zat en zijn rugwervel klem zat. Het was nog geen twintig jaar geleden dat hij op vakantie met Mowie lang achterin in de auto had gezeten toen ze opeens naast hen een man zonder hoofd achter het stuur hadden zien zitten. De man had zijn stoel zo ver omhoog gedraaid dat Mowie en hij even raar opzij keken, en toen in de lach schoten. Jaren later hadden Mowie en Howard een hernia opgelopen en ineens goed begrepen waarom de man zo omhoog had gezeten.

Natuurlijk had hij niets te melden, maar het urenlange schrijven was de veiligste manier om tijd te ondergaan in de hoop iets zinnigs over zichzelf op te vangen. Dat kon alleen in de onderdompeling, de geforceerde spiegeling die langzaam plastisch werd, waarin buiten en binnen op weer verschillende manieren bijeen kwamen, waarin hij moest zwemmen en naar reddingsboeien grijpen, diep adem moest halen en onder moest duiken, langzaam en gecontroleerd weer boven moest komen, beseffen volledig de weg bijster te zijn, om dan toevallig een klein straaltje inzicht door te zien breken. Was het plan. Ervan uitgaan dat het zo zou gaan stond gelijk aan jezelf bij voorbaat afknallen.

Hij leefde daardoor ook bijna uitsluitend in herinneringen. Over zichzelf en voor anderen. Via de wolken was daar van alles over te achterhalen, maar of het van enige waarde was wist niemand. Maar hij wist het wel. Welke andere manier was hoe dan ook waardeloos. Reden: storing. De meest onderschatte invloed op iedereens leven.

De grote storing voor hem was zijn geluk zelf geworden: door naar de storing te zoeken, haar te onderkennen, kon het oeverloze gelukszoeken eindelijk worden gestaakt. Methodiek, daar ging het om, en let wel: enorm simpele methodiek. Namelijk methodiek die alleen maar vraagt of de psychologische analyse (onwaarheid) of het systematische holisme (waarheid) werd gehanteerd. Psychologie vroeg alleen naar uitzichtloze ‘zo is het nu eenmaal’ uitingen, systematiek maakte verbanden binnen het geheel inzichtelijk. Dat was het hele verhaal. Daarbinnen zou je zo gelukkig mogelijk zijn, of je er nu naar streefde of niet.

Die dag gaf Howard Wereldgeschiedenis. Een kale dag, met maar enkele uren waarin hij lesgaf. Een student kwam op hem af en vroeg om een aanbeveling voor zijn kunst. Hij liet een tablet zien waarop hij een poppetje had getekend. Het was niet goed. Howard zei niets. Howard zei dat hij bij het museum naar een curator kon zoeken en deze vijf jaar lang emails moest sturen. Om te beginnen kon hij er op donderdagavond heen gaan, als het gratis was voor inwoners. Inwoners van wat eigenlijk? Op vrijdag zag hij de student opnieuw. Hij was niet gegaan de avond ervoor.

Bergen data
Ineens realiseerde Howard zich dat hij op de berg zat; het was alleen een dagdroom geweest. Tijdens zijn droom was hij al typend gaan lopen, waardoor hij in een greppel was gevallen, en wakker was geworden.

Bij uitstek had hij nu toch een goed idee om de rest van de dag bij stil te staan: wie of wat de wereld observeerde voordat er mensen waren. Observeerde het universum zichzelf, en zag het dan deeltjes op een plaats in de tijd (onwaarheid) of golven in de ruimte (waarheid)? Was een deeltje nodig om observatie plaats te laten vinden? Zijn wanhoop met moeite verbergend, gooide hij zich een afgrond in. Toch lag hij nog steeds in de greppel, besmeurd met modder. Hij zou morgen naar beneden lopen, en zijn was doen in de wasserette.

Zonder gebeurtenissen geen data, zonder data geen verhaal. Maar wie zag de data? Het deeltje. Dat was hijzelf! Maar was het deeltje ook het universum zelf? Waren er universa die elkaar bespioneerden, terwijl ze net deden alsof ze zelf niet bestonden? Ja, natuurlijk waren die er. Maar hoe maakte je die met deep learning inzichtelijk? Als AI de zwarte doos was die tegelijkertijd niet en wel bestond, dat kon het operationele universum hierdoor gezien worden. Zelf zou Howard dan in een soort draaikolk het universum ingezogen worden, voor zover dat niet al het geval was.

Hij had het alleen niet door. Als hij al bang was, dan was het om het niet beseffen dat hij eigenlijk rondtolde in neerwaartse spiraal die door het putje zou gaan en uiteindelijk in de oceaan zou ontkolken. Howards ego was de bangerik. Het misbaksel dat zich verschool maar toch niet. Alsof je verstoppertje speelt en de ander tijdens het tellen zonder meer naar huis loopt. Als je hem later na uren vergeefs zoeken opbelde gaf hij niet thuis. Nam hij wel op dan zei hij dat hij niet thuis was. Daar had hij dan weer gelijk in. Voor altijd buut vrij. Het was je spiegelbeeld als ei. Je bloedeigen spiegelei. Het uilskuiken dat zich geen raad wist met zichzelf. Dat rechts en links niet uit elkaar hield, rechts noch links keek bij het oversteken, links- of rechtsom altijd gelijk en toch ongelijk had, van sociaal lomp-zijn zijn beroep had gemaakt. Dat nooit tussenbeide kwam als er tijdens zijn les een vechtpartij uitbrak. Dat alleen scherm was en zich daarachter verschool.

Dat geen zier gaf om aardig doen: hij werd toch niet gezien. Dat terugsloeg zonder eerst zelf te zijn geslagen, alleen in herinnering en in de toekomst leefde, nooit nu.

Dat er niet is. Dat weigert op te kijken als je zijn naam roept, geen kik geeft als je erom smeekt, zich niet zelf kan voelen maar  onderhuids toch gevoeld wordt. Dat geen zin heeft zichzelf als ook maar een millimeter anders dan als jezelf te voor te doen, terwijl het toch iets vol-ledig anders is. Kortom, dat het ultieme ego in zich verscholen houdt, eigengereid is, alleen voor zichzelf van waarde is.

Howard had het niet zo op zijn ego. Toch was hij het. Van zijn zieleleven, zijn hogere zelf, zijn gevoel van verbondenheid met mystieke geesten, met oude ideeën en verhalen, met verloren gegane inzichten in de aard van de natuur en de mens daarin, had hij een veel hogere pet op. Maar dat zieleleven, tja, dat was hij niet.

Hij was misschien het tussenin, daartussen. Hij was het walschip. Het schip dat met wal en al gebouwd was en voor wie het eigenlijk meer ging om lekker als ding vast te liggen met zowel de zee, ter verkoeling, als het land, voor de veiligheid, aan weerszijden. Boven je de lucht, onder je de diepe, diepe aarde met al die gestorven mensen erin. Wat wilde je nog meer? Uitvaren? Nee toch? Invaren? Inrijden? Inladen? Uitladen? Opladen misschien. Hooguit. Lekker als ding stil zijn, alles hebben. Volkomen zijn, niet langer vol-ledig leven.

Hij keek links en rechts. Om hem zaten in totaal zes personen, allemaal schreven ze. Op hun scherm slechts een enkele, de rest stond nog met beide benen op de grond. Of zoiets. Hij voelde niet dat hij vastzat, noch aan links, noch aan rechts. Hij was geen walschip. Hij was een schip. Of een wal. Of beide, maar toch los. Misschien was hij ook ter land, ter zee en in de lucht. Maar niet ter aarde. Dat was hij niet. Toch was hij nog het meest de aarde. Hij keek naar beneden. Hallo, aarde, begon hij. De anderen keken hem vreemd aan. Het was alsof ze een geest hadden gezien.

Had hij ze laten schrikken? Snel gooide hij de lange tafel omver waaraan ze allemaal zaten. Alle glazen vielen op het rode tapijt. Hij liep op de bar af. Nog twee bier, graag! En snel een beetje! Hij was zichzelf niet, wist niet voor wie dat bier was. Weer had hij zes vrienden gewonnen, want het ging niet om winnen of verliezen, als je meedeed had je al gewonnen. De regels verzon je ego zelf.

Er dreef een vreemd lichaam naast hem, met hem, in hem. Wonderlijk terloops droomde hij diezelfde nacht dat hij door een muur zweefde. Tegelijkertijd werkte het delen van gezichtspunten met vogels bevreemdend en werd zijn onrust steeds verder van uiterlijke ervaringen, van alles dat zich buiten hem om afspeelde, verwijderd.

Kwam hij terug van zijn out-of-body reis? Hoe griezeliger het werd, des te beter. Howard struikelt over zijn losse schoenveters en zweeft in de ruimte die hij belichaamt.

Opeens wist hij het zeker: hij had zichzelf laten gaan. Hij was gek. Gek zonder anderen om mee te praten. Gek op anderen. Zonder gemeenschapszin, zonder gesprek, hoe dom ook, hij zou er ruimte aan geven, hij zou het kunnen begrijpen en daarmee zichzelf. Opeens barstte het gesprek los over zijn dochter. Ze had luizen. Vroeger was het rigoureus al het haar eraf. Nu lafjes met wat speciale shampoo inweken en uitkammen. Hij was zo gek niet meer. Kon hij in zijn eenzaamheid zijn niet-gekheid maar doorzetten. Het ging niet.

Alle mensen aan de omvergeworpen tafel verging het zo. Het waren allemaal mensen als hij. Maakte hij nu onderdeel uit van het volk? Was hij het volk? Waren ze het volk? Wat maakte het volk uit? Wat maakte überhaupt iets uit? Het was misschien meer een soort voorkeur van het universum om dingen op een bepaalde manier – en geen andere – te uiten. Maar het universum, dat was toch gewoon een onding? Voor mensen was er toch niets anders dan dit, dan het contact onderling, dan je gered te voelen, dan van schaamte in geborgenheid en weer terug te vervallen? Dan met zijn allen gezamenlijks iets te doen? Dan niet fake in de wolken te hangen, zoals Howard nu, of ook niet, maar er – zonder in clichés te vervallen – simpelweg ‘iets’ van te maken met zijn allen? Om dan met zijn allen in een lange vreugdehuilbui om nooit te vergeten uit te barsten.

Iedereen was weggegaan terwijl Howard nog doormaalde. Hij kon het gevoel niet loslaten. Hij kreeg weer eens het gevoel van veel ‘filler’ niet zoveel ‘substance’. Leegte. Het was allemaal een grap. Kon hij zich voorstellen dat het de volgende keer, zo die er was, precies weer zo zou gaan? Nee, temeer hij op een berg zat zonder iemand om hem heen om mee te praten, om iets aan mee te delen, mee samen te vergeten, mee te vergeten dat hij het zelf was die daar zat. Maar in de wolken was hij toch volledig vergeten. Peter Buwolda ook, zat daar een beetje, achter zijn bureau, probeerde zichzelf weer eens te vergeten, om zijn onavontuurlijke, gedegen ego maar niet te hoeven zien. Uiteindelijk om de schijn te wekken ongelukkig te zijn, want gelukkige schrijvers konden natuurlijk niet goed zijn. Zelfbehoud? Liegbeestje? Achterhouden wat waar is, voor de bühne nooit jezelf zijn? Voor de lafhartigen, ja, niet voor Howard. Hij was echt. Hij was Buwolda of hoe die ook niet heette niet! Voor hem Te Gussinklo.

Hij was zichzelf vergeten, en hoe hij de wereld in een oogwenk kon veranderen. In een klein, eenvoudig, kortdurend ding. Wat was het dan toch binnen hem dat hem controleerde? Dat ons controleerde? Het onderzoek zelf maakte van hem een natuurkundige of literair criticus. Of iets daartussenin.

Toch was daar de oogwenk weer. De mens, als hij, was met tekst bezig, of met mensen. Iets daartussenin. Een enkeling meer met mensen: bedrijfsleiders, managers, kappers, bartenders, ga zo maar door. En vroeger had je nog degenen die alleen met dingen bezig waren: vrachtwagenchauffeurs. Maar die waren opzienbarend snel achter een dik wolkendek gezet. De wind stond niet gunstig voor hen die niet wolkig wilden schrijven. Als tekstmens was je onverbiddelijk aan het onzichtbaar worden overgeleverd, als mensenmens had je niet langer toegang tot de inhoud. De scheidingslijn drong zich op tot in de wolken. Nu schreef hoegenaamd iedereen daar. Daar was de strijd om leven en dood, de oorlog, voortgezet, daar ging het leven dood, daar was Howard ten dode opgeschreven. En met hem iedereen.

Zo’n kritische geest was hij zelf niet. Daarom was hij blij Godefroid te hebben gekend. Hij was tevredener met zichzelf daardoor. Hij wist dat hij daardoor een kritischer en waardevoller mens was geworden, zelfs nu hij hier, omringd door wolken en bergtoppen, alleen en eenzaam op een houtje zat te bijten. Het ging hem makkelijker af.

Hij had thee gezet. Eerder was hij altijd met koffie opgestaan maar hij had ontdekt dat koffie ‘s avonds in plaats van ‘s ochtends veel beter werkte. Alleen had hij geen koffie. Hij had ook geen thee. En het was al laat. Hij deed net alsof. Hij was het engeltje in de leunstoel.

Even keek hij op van zijn thee en toen ineens zag hij het: de sterren. Vanuit de wolken kon je de sterren beter zien. In de wolken was je vanzelf ook met liefde vervuld. Hij besloot sterrenkijker te worden, niet zoals de tv-presentatoren, die altijd sterretjes op hun irissen hadden. Als je goed keek. Godefroid had wel goed gekeken zeg! Beter naar het scherm dan naar de sterren daarbuiten. Waarschijnlijk had hij het niet zo op sterren gehad. Te afstandelijk. Te ongrijpbaar. Gladde praatjes, gladde sterretjes. Allemaal homofiel. Niets daaroptegen. Gewoon onbegrijpelijk.

Howard bleef omhoog kijken. Al die sterren wilden gewoon met elkaar een show afgeven, maar stiekem waren ze meer in elkaar geïnteresseerd. De kale sterretjes boven hem bleken ineens veel op onze zon te lijken. Onze zon, die in zijn ultieme substantie nog in het minst gekend werd. Dat wist ook Godefroid.

Je geeft af, zeiden ze vroeger op school, als iemand die normaal gepest werd je per ongeluk aanraakte. Dat was vies. Die leerlingen werd dan gewoon gepest. Alsof het gewoon spelen betrof. Het was gewoon de grond in stampen. Maar kinderen maken daartussen soms geen verschil.

In de wetenschap
De kritische geest uitschakelen, uiteraard, was de sleutel tot het ware concentreren. Je kon je niet focussen op het ware spelen, op de ware afleiding van het oneindige jezelf afleiden. Oh, dacht Howard, laat ik nu anders even gaan plassen. Maar tegelijkertijd wist hij dat het hem zou afleiden. Hij dronk daarom liever helemaal niet meer. Hij ademde nog wel. Dat dan wel weer. Dat moest ook wel want hij zat boven water. Nog net onder de atmosfeer, dichtbij de sterretjes. Maar zelf was hij geen sterretje. Hij was een engeltje. Zijn eigen engeltje.

Als engeltje had hij een sterretje op een stokje. Hij hield zijn stokje omhoog naar de sterren. Ze leken op elkaar. Maar het sterretje was van hemzelf. Ook al had hij geen sterretje. Misschien was hij ook geen engeltje. Maar dat mocht hij niet weten. Hij was gezegend zonder te weten waarom.

Even verderop ging hij toch maar plassen. Om de hoek, weg bij het licht van de bouwlamp, zou geen sterretje hem zien. Maar hij hen wel. Van onder. Opeens raakte hij uit balans en lazerde hij met laptop en al de berg af. Langzaam vloog hij de afgrond in. Veel langzamer dan hij het iedere dag beleefde. Het leek net echt. Snel gooide hij zijn laptop van zich af. Door de kracht vloog hij terug de berg op. Hij landde precies op de WC.

Terug op zijn plek, sterk bouwlicht bescheen de volgende lege pagina, wilde hij schitteren; net als de sterren schitteren. Met een gevonden aansteker stak hij zijn sterretje aan. Het schitterde. Hij herinnerde zich een Dave Matthews Band concert. I will go in this way. And find my own way out. Het gaf kracht, vreugde, wilskracht, vreugdevuur. Hoe hij het ook wendde of keerde, het was in deze vreugde dat hij wilde zijn, dat hij wilde bestaan.

Misschien was hij uitgeschreven. Hij zou dokter Gerlagh bellen. Het was genoeg geweest. Het ging maar door en door. Maar het moest één zijn, stoppen, het moest juist niet veranderen. Het moest doorgaan zonder te veranderen. Maar waarom eigenlijk? Wie was hij? Wat ging er door hem heen? Waartoe leven? Maar dat wist hij toch? Ja, lijden onder de menselijke geest leek nog de meest menselijke manier van leven. Van leven als zich aanpassen aan de norm. Maar het gewone spelen deed zijn intrede elders. Misschien wist hij nu waar.

Het schrijven moest en zou doorgang hebben. Niet langer kon Howard gewoon blijven liggen in de stagnerende kwaadheid om zijn keuzes tot zelfverdoeming. In Godefroids naam, met het goddelijk gevoel, ter ere van Godefroid in zijn voetspoor tredend zou het leven draaglijk zijn. De herinneringen aan zijn mijmerend bestaan zouden aan betekenis winnen, zouden als water voor de zon verdwijnen, hun nevelig bestaan stopzetten. Hij moest en zou een persoon worden, niet langer dier, alleen dierbaar, in navolging van, en met alle mensen samen. De maatschappelijke onderdrukking, ook dat was hij zelf. En het was ook de ander. Maar niet het systeem. Het systeem was dood hier in de wolken. Iemand te zijn vereiste moed, zoals het de Bijbel en de Talmud betamen, de moed om nee te zeggen tegen zichzelf en anderen, om iets te laten als het niet juist was. Om ten oorlog te trekken tegen het kwade in zichzelf, samen met alle mensen. Tegen het moordende dierlijke. Tegen de moordlust om je dierbaren. Tegen het oneindige, eigengereide machtsvertoon, het materiële gewin, om dingen of mensen te hebben. Maar vooral tegen de onuitputtelijke verstrooiing, de afleiding van zijn werkelijkheid, die de wolken voor het herdersvolk zo dicht, donker en gevaarlijk deden lijken.

Howard voelde zich opgelucht. Zijn alleen zijn had hem verbondenheid doen voelen. De paradox die zo basaal aan het leven kleefde, had hem gerust gesteld. Als nooit tevoren bleef hij staren naar de rust die hem doordrong, en waar hij niet langer van kon wegkijken. Hij had het gezien, hij had iets mogen ervaren, en hij was gezien, hij was er geweest. Nu hield hij het voor gezien. Het voetbalengeltje bungelde vlak voor hem, de stilte had hem helderziend gemaakt, het wolkenleven verblindde niet langer zijn ziel.

Niets meer was nodig dan die stilte om de bal om het muurtje in de bovenhoek te krommen, om die beslissende pass te geven. Veel meer dan een tent en een doel had hij niet opgezet. Het balletje verzon hij erbij. Wekenlang had hij naar de hoeken van het doel getuurd, zoals de profeten Jezus, Mohammed en Siddharta hem hadden voorgedaan. Howard leefde niet langer bij de gratie van een ander: hij was de ander. En in de wolken toch zichzelf. Tienduizend keer kromde hij de bal in dezelfde linkerbovenhoek. Toen was de beurt aan de rechterbovenhoek.

Die avond pikte hij Allah op in zijn Uber. Hij ging in de hoek zitten. Even later stapte Mohammed in. Toch was het Mohammeds vriendin die instapte. Mohammed had de Uber voor haar besteld. May Peace Be Upon You And Your Family, zei Allah bij het uitstappen. May Peace Be Upon You as well, zei Howard als afscheidsgroet. Een mooie boodschap, dacht hij. Het voelde niet nep. Niet alsof iemand anders het zei, maar alsof hij hij het zelf zei.

Zijn persoon was negatief bepaald: afgezet tegen het leven als chaotisch lawaai, tegen het uit balans geraakte, voor het altijddurende verbond met de stilte van zijn ziel, die als helder opgewreven glazen bal was uitgeblonken in het afzien van en voor de wanorde. Op de lijdensweg hield hij ondanks alles vast aan de droom, hoe vervlogen die ook leek.

Grijswaarden schakelden zich aaneen in de Howards dagelijkse belevenissen. Tegen hier en daar een vleugje wit stak de wereld bijzonder somber af. Toch bleef het geheel, van een afstand, een knap gemaakt schilderij. Howard zou het zo aan de muur hangen. Of als wandschildering. Net echt. Af en toe kwam er een kleurtje voorbij, rood bijvoorbeeld. Dat was zijn afleiding, het engeltje. Daarna verdween het engeltje weer en was zijn droom weer uit. Hij was het engeltje. De hele tijd al.

Dokter Gerlagh belde hem op; hij was niet meer in leven. Ik of u? vroeg Howard. Beiden. De berg had blijkbaar als metafoor ingestaan voor het hiernamaals. Niet onplezierig, maar toch, met het besef van wat de metafoor zelf was, vrij somber. Konden ze nog wel af en toe bellen? vroeg Howard. Formeel gezien niet.

Dan had het schrijven ook wel zijn langste tijd gekend, dacht Howard. Zorgvuldig klapte hij het schermpje dicht. Wie zou er nu schrijven, nu hij niet meer schreef? Wie gaf het stokje door? Hij zou zijn sterretje erover laten schijnen.

Licentie

Howard Buut Zijn Volk Vrij Copyright © 2020 by Peter Blank. Alle Rechten Voorbehouden.

Deel dit Boek

Feedback/Errata

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.